Vrijdagavond was het zover, we waren volledig klaargestoomd voor ons vertrek naar Otavalo. We waren zelfs op tijd, ondanks onze nieuwste “Mañana Mañana”-houding die je, hier in Quito, enkel bij ons vindt. Een busje zou ons komen ophalen, maar zoals je wel kan gokken gebeurde dat niet. In plaats daarvan moesten we met een locale bus. Deze bussen rijden met hun deuren open, en stoppen niet als iemand wil opstappen. Maar gelukkig zijn ze zo vriendelijk om van snelheid te minderen, zodat je erop kan springen. Dit lukte de eerste keer tamelijk goed, maar dan moesten we veranderen op een soort “intercity-bus”, en in Ecuador vertaalt dat zich in hetzelfde principe alleen hebben ze binnenin een TV met de meest schrale TVprogrammas (VTM³). Ik verbaasde me over het feit dat de bus stilstond; hoewel dat voor de grootte van onze groep wel nodig was. Voor enkele seconden lukte dat goed, en ik voelde een soort trots voor de nog onbekende chauffeur. Dan begon hij elke keer vooruit te rijden, Lara sprong op de bus, de bus reed vooruit, dus ben ik er op een of andere miraculeuze manier opgesprongen, onze gids Vinicio volgend en daarbij nog de persoon die alle mensen “op de bus helpt” (lees: ervoor zorgt dat de bus niet al doorrijdt met maar de helft van de familie). De helper hong dus gewoon met een voet op de tree en wapperde zo een aantal meter verder.
In Ecuador rijden er niet zoveel autos en bussen, en eigenlijk is dat maar goed. Tenzij ze het bevolkingsaantal willen halveren natuurlijk. Met verkeersregels nemen ze het immers niet zo nauw. Verkeerslichten zijn leuk, simpelweg om de variatie van groen naar rood, maar verder wordt er eigenlijk niets mee gedaan. Als het licht rood is, wordt er niet gestopt maar is er een simpele oplossing voor het waarschuwen van de andere automobilisten: toeteren. Jawel, de toeter. De toeter in Ecuador, ik zou er al een apart boek over kunnen schrijven. Wel, als mijn scriptie een flop wordt, dan heb ik zonder twijfel een back-up. De toeter is hier multifunctioneel, maar dat zal naarmate het verhaal wel duidelijker worden.
Dus, ik lanceerde mezelf op de bus en Vinicio lanceerde me vooraan de bus, naast onze “prettig” gestoorde chauffeur. Eigenlijk ben ik hem daar wel dankbaar voor, want uiteindelijk vond ik het beter als TV. We slingerden vol overtuiging over de baan, en de lokman riep al hangend vanuit de bus “Otavalo, Otavalo !!”. De chauffeur deed zijn eigen bijdrage door dan nog eens luid te claxoneren, naar zowat elke plaats waar iemand stond. En mits Quito de hoofdstad is, staan er véél mensen. Ik heb zelfs ondekt dat de bus twee verschillende toeters heeft. Deze ontdekking heeft me bijna een hartinfarct bezorgt, maar het is de moeite waard om te weten. Ze hebben een normale toeter en een oorverdovende toeter; maar na enkele weken in Ecuador ben je er heus al immuun voor. Iets buiten de stad was het eigenlijk niet meer nodig om mensen te lokken, hoewel we af en toe nog stopten in een of ander godverlaten gat. Dan stapte er iemand op of af, terwijl ik nog niet eens een huis vond. We begonnen stilaan goed te vlammen, met de wind door mijn haar (het raam stond open), had ik af en toe een pretparkgevoel. Het halen van grote snelheden ging samen met nog meer getoeter. Dit vooral naar auto’s die niet snel genoeg gingen naar de zinnen van onze halve gare chauffeur.
Het CONSTANT veranderen van rijvak zorgde voor een prettige kriebel in de buik. Hoewel het prettig zigzaggen me op een bepaalde moment een groene kleur moet bezorgd hebben. De inhaalbeweging ging voorbij twéé camionetjes, en een andere stadsbus. Op zich was het best spannend, tot ik doorhad dat we dit aan het doen waren in een bocht. Een bocht waarbij het absoluut onmogelijk was om te zien of er iets of niets aankwam. Hij heeft het voor elkaar gekregen om dit een 6tal keer te doen doorheen de ganse rit, waarbij we maar één enkele keer minder geluk hadden en er in de verte een tegenligger aankwam. Dit terwijl we op een goed tempo aan het spookrijden waren. En wat is de beste oplossing om te andere te waarschuwen dat je “even” Engels aan het rijden bent? Toeteren uiteraard. En ondertussen rustig een beetje gas bijgeven. Bij nader inzien ben ik ervan overtuigd dat we een kwart van de tijd niet op ons eigen rijvak gereden hebben. De eerste keer kreeg ik het doodsbenauwd, maar na een tijdje gaf het best een kick. Gelukkig voor mijn medereizigers kon mijn testosteron-gehalte weer normale proporties aannemen toen de bus stilstond om te tanken. Een kwartiertje later zijn we dan toch nog heelhuids in Otavalo geraakt.
Blij was ik wel toen we in eindelijk arriveerden, want naarmate de rit vorderde werd ik niet alleen agressiever, maar werden de Ecuadorianen curieuzer. En mits mijn Spaans nog een ferme portie haar erop heeft, was de conversatie met de chauffeur en co-chauffeur niet bepaald hoogstaand. Zijn vragen klonken af en toe meer Chinees dan Spaans, vooral omdat alles hetzelfde klonk maar gewoon de klemtoon elders lag. Ik heb het er alleszins nog goed van afgebracht, want het niet al te goed verstaan van Spaans heeft zijn voordelen, zeker wanneer ze voor je nummer vragen. Met een herwonnen gevoel van vrijheid zijn we allen van de bus gesprongen op weg naar een of ander bouwvallig restaurantje. De plaatsen waar we zijn gaan eten, zou je mij anders niet binnen hebben gekregen zonder alles eerst te desinfecteren. Maar verbazingwekkend zijn de mensen extra vriendelijk en is het eten best smakelijk. Die avond hebben we geslapen in een petieterig kleine hostal, waarbij ik bovenaan een stapelbed lag en gans de nacht om het uur wakker werd uit schrik eruit te totteren. Kindertrauma’s, ze zijn toch nergens goed voor.
De volgende ochtend moesten we vroeg uit de veren, maar dat was niet erg moeilijk met al het gerommel buiten en het vooruitzicht van een op zijn minst lauwe douche. Buiten waren ze de markt al aan het opzetten. We zijn met zn allen naar de dierenmarkt geweest, die een paar straten verderop lag. Het uitzicht op de bergen was voortreffelijk, de manieren waarop de dieren behandeld werden was verschrikkelijk. Moest ik geen vegetariër zijn, zou ik het daarna zeker geworden zijn. Ross, onze Engelsman, was van dezelfde mening, maar hij heeft het welgeteld één maaltijd uitgehouden denk ik. Het was alleszins wel uitzonderlijk om te zien dat ze daar werkelijk alle beesten verkopen, van lama’s, koeien, varkens, eenden, schapen tot katten en kippen. Vooral de varkens en zwijnen waren niet zo gesteld op hun nieuwe baasjes, krijsen en gillen is niet enkel bestemd voor meisjes laat ons zeggen. Later zijn we nog naar de lokale markt geweest, met leuke en kleurrijke prulletjes, spulletjes en kleding en daar hebben we ons lichtelijk laten gaan. Katrien en ik hebben onszelf een vrolijke muts gekocht voor wanneer we de Cotopaxi gaan beklimmen. Dus nu ben ik daar een beetje toe verplicht. Een leven tegen 2dollar, toch een eerlijke ruil, of niet soms?
In diezelfde namiddag zijn we naar het meer gegaan, het meer van San Pablo. Daar hebben we eventjes op een bootje gezeten, genoten van het uitzicht en het zonnetje. Het duurde jammer genoeg maar een kleine 5 minuutjes. De bootsman heeft ons gedropt aan de andere kant van het meer, van daaruit hebben we een lange wandeling gemaakt. Voorbij het meer, waar je een prachtig uitzicht had op de vulkaan, en langs de zijkant kon je mensen zien baden in de zijrivieren van het meer. Onze wandeling verliep verder door een nationaal park met een heilige waterval, cascada de Peguche. Deze waterval wordt een keer per jaar gebruikt voor het reinigen van de ziel, en als je dichtbij deze waterval gaat staan wordt je ook echt kloddernat. Het feit dat de wind veel water met zich meezwiert, zorgt voor een verfrissend en energetisch effect wat dus in verband staat met de zuivering van de ziel. Op de terugweg kruisten we een community van Indigenas, de oorspronkelijke bevolking. Dan zijn we doorgewandeld naar Otavalo, en werden we naar onze ‘eigen’community gebracht, met een truck zoals in Peking Express. Sommige zaten en sommige stonden in de truck, maar we keken allemaal naar de prachtige omgeving. De natuur is echt fantastisch hier. “Life at its purest”; het moto van Ecuador, en zeker niet gelogen.
In de community hebben we ons avondmaal verorbert, allemaal ‘speciaal’ eten, oorspronkelijk eten van de indegenas. Sommige hebben Cuy gegeten, de nationale specialiteit: hamster. Blijkbaar smakend naar knapperige, zoute kip als ik mijn amigos mag geloven. Verder was er nog maïs (choclo), geroosterde maïs (tostaras), supa, iets patatachtig, sla, en een lekker sapje. Later die avond zag mijn bed er nog aantrekkelijker uit dan tevoren, maar de matras was jammer genoeg enkel dik aan de zijkanten en ik heb dan maar gans de nacht op houten planken geslapen. Maar na onze fikse wandeling kon het mij amper schelen; ik durf te wedden dat ik bijna even goed geslapen heb als een dode. De volgende ochtend zijn we vertrokken naar het kratermeer van Cotacachi. Vanuit onze wiebelende truck hadden we er een verbluffend uitzicht op. Werkelijk imposant. Hier hebben we ook een tochtje met de lancha genomen, op het meer. Onze pick up truck is ons komen halen en dan zijn we naar Otavalo vertrokken. Vanuit Otavalo zijn we terug naar hometown, Quito, gegaan. En thuis aangekomen voelde het werkelijk als thuis.
Nu terug in Quito heb ik alweer enkele uren les achter de rug. De Spaanse lessen vorderen stilaan, hoewel ik af en toe knappe blunders maak. Ondertussen heb ik ook ontdekt dat mijn profesora Carolina heet, en niet Caterina zoals ik al de ganse tijd dacht. Ze was erg onder de indruk over een tekst die ik geschreven had, en ik ben nog steeds erg onder de indruk van haar uitbeeldkunsten. Er is niemand in de wereld die dingen zo fantastisch kan uitbeelden als zij. Vandaag was ze nogal verstrooid, wat haar nog net iets komischer maakte als anders. Haar verhalen over haar eetgewoonten en het afknippen van haar rastas tot het kapsel van een leeuw, tijdens haar zwangerschap, waren op zijn minst hilarisch. Morgen brengt ze foto’s mee van haar 2 kleine kindjes: Aaron en Cailan. Het wordt een conversatie van formaat, ik voel het nu al. Bizar is het blij te zijn om iemand te vinden die je zal missen binnen 5 maanden. Momenteel zijn mijn lessen niet enkel amusant, maar ook enorm leerrijk.
De bomma-vraag van alle vragen beantwoordt ik vandaag in het Spaans: “¡Hace mucho sol y tiene 25 grados!”. En nu ga ik de zonnecrème halen, want volgens mijn chicas begin ik te lijken op een zomerse versie van Rudolf the rednose reindeer. Niet bepaald elegant.
¡ ¡Entonces chicos: hasta luego! !
Besitos
Tessita
dinsdag 10 februari 2009
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten