maandag 29 juni 2009

It's not over until it's over

Met veel gejammer en vrijwel letterlijk pijn in het hart ging onze laatste week Ecuador in. Ondanks het nakende afscheid van al het moois, liet ik me nog voor de laatste keer zorgeloos gaan. En zoals men weet ben ik het meest in mijn element “ a la costa”, waar vrijheid dagelijks gevierd wordt.

Na onze jungletocht; en vooral vermoeiende rit terug naar Quito waren we allen aan wat rust toe. Maar zoals we de lieve Heer het best kennen kiest Hij doordacht zijn momenten uit om moeilijk te doen. Heel wat papierwerk en andere rompslomp beloofden bijna al onze tijd in te nemen, maar dankzij Katrien haar weloverwogen actieplannen waren we strategisch en volledig efficiënt de straten aan het afschuimen om alles tijdig op punt te krijgen. Na 4maanden samenwerken en afstemmen op elkaar mag gezegd worden dat we een heus team vormen. Zo slaagden we erin tijd over te hebben voor extra leuke dingen zoals eten in ‘Boca del Lobo’ (hét restaurant van Quito!). Vrijdagavond werden we verwend door Marvin en Roos die voor ons een etentje hadden voorbereid en ons overladen met hoopjes liefde in de vorm van een kaartje en ’n knuffeltje. Stiekem verdenk ik onze Noorderburen ons te willen kraken en de traankanalen in werking te zetten; maar de Belgische garde kan jullie verzekeren dat ze haar natie heeft verdedigd door de lippen stijf te houden en de traankanalen droog…

Het was diezelfde vrijdag dat Valerie haar tas, voor het weekendje kust, in 20minuten kreeg ingepakt en dan nog wel in de donkere! Ja, in de donkere, want de seconde dat ze boven in haar kamer stond om de boel onder handen te nemen, viel de stroom uit en heeft ze het moeten stellen met een zielig zaklampje als enige lichtbron. Voor zij die Valerie kennen zullen dezelfde soort fierheid voelen die ik voor haar voel, want twintig minuten is zonder enige twijfel de nieuwste recordtijd! Ondanks deze medailleopleverende actie had de hele inpak- en stresssessie ons genoeg vermoeid om de komende 11uur compleet knock-out te gaan op de beste busrit ooit!

Aangekomen in Puerto López vonden we onszelf (in alle eerlijkheid vond de man ons) een hoogstpersoonlijke taxichauffeur. Taxi Taxi – motor met een bak aan, laten we een kat een kat noemen. De rit was hobbelig maar heerlijk; ondanks de bewolkte hemel was ik helemaal in mijn nopjes: ik hou immers van de geur van frisse zeelucht. Zalig, ik word er hemels rustig van. We bezochten eerst Hostal Mandala; een origineel gedecoreerde hostal met alles erop en eraan, en waar de prijs evenveel toeters en bellen had. Met $20/nacht zaten we iets boven budget, dus vonden we onszelf maar een minder indrukwekkende hostal aan het strand, waar we 2nachten konden blijven voor dezelfde prijs.

We slenterden op ons gemakje door het vreedzame dorpje, waar alles gewoon in alle stilte zijn gangetje ging alsof er nooit een kwaad woord gewisseld zou worden. Aan het strand zetten we onszelf bij een barretje voor ontbijt; een pannenkoek met vers fruit én een versgeperst fruitsapje – overheerlijk! De man aan de bar kietelde mijn lachspieren bij een haast eindeloze monoloog over de goedheid van zijn ijsblokjes (“is good ice – not from river”) en zijn overtuiging dat ‘de gezondheid van de maag’ niet om mee te lachen was. Heel wat nonchalante horeca-uitbaters gebruiken inderdaad ongezuiverd water dat mijn maag- en darminhoud gedurende een week zou doen leeglopen, maar zijn gebrekkig Engels maakte het onmogelijk de grijns van mijn gezicht te houden. Zo’n mensen mogen er meer zijn…

Die namiddag voelde ik me al gauw een prinses toen we onze eigen taxi vonden, die ons overal heenbracht waar we maar wensten. Zo hadden we nog een hele discussie met de ticketverkoper van Machalilla National Park; die ons overduidelijk probeerde af te zetten en er nog haast in slaagde ook! Maar nadat we ons gelijk behaalden schokten we met chifles (bananenchips) en verrukkelijk vers, spotgoedkoop fruit naar Playa de Los Frailes. Aangekomen op dit prachtstrand, moest ik mezelf er even terug op wijzen in Ecuador te zijn en niet op een of andere exotische vakantie aan de Caraïben. Het strand was parelwit, langs beide zijden omsluierend door rotsen, en het water bezat tinten van turkoois tot donkerblauw. De golven waren schrikwekkend wild, en sloegen af en toe met een luide klap om. Nochtans hield dit de pelikanen niet tegen de zee te beroven van haar inhoud. Dappere dieren, die ieders aandacht trok bij het schouwspel van zwerven en duiken, tot de lusten gestild waren.

Stoutmoedig waagden Katrien en ik ons in het water, zonder angst door Poseidon verzwolgen te worden. Een enkele keer kreeg een kanjer ons te grazen, en tolden we door het water om dan al happend naar lucht boven te komen. Dit deed ons twee keer nadenken, en bij het zien van zijn mama besloot ik het op een kort spurtje te zetten. De zuigkracht van de zee bij zo’n krachtig exemplaar zou op heel wat mannen indruk gemaakt hebben, maar maakte ontsnappingspogingen - zoals de mijne - tot een wanhoopsdaad. Maar waar een wil is, is een weg – en de mijne bracht mij veilig en wel terug op het strand waar ik ongestoord van het leven kon genieten.

Zondag stonden we op tijd op, ontbeten op continentale wijze en stonden stipt om 10uur op de afgesproken plaats voor onze tour. We hadden namelijk een tour geboekt om op zee walvissen te gaan spotten. In Juni begint het walvissenseizoen in Ecuador, en daar wouden wij toch iets van meepikken. We herkenden onmiddellijk een van de mannen die we de dag ervoor gesproken hadden; die wees ons vluchtig in de richting van het strand en gebood ons daarheen. Een hele tijd wandelden we over het strand in de hoop iemand te spotten die ons zou helpen, tot iemand ons vertelde dat onze boot was vertrokken… zonder ons! We zijn dan teruggekeerd naar waar we onze tour hadden geboekt, en hadden het donkerbruin voorgevoel opgelicht te zijn geweest. Maar op onze terugweg kwam een man ons halen, en bracht ons naar de juiste personen. Hoewel het in mijn verwoording lijkt op een maffiaverhaal, waren het erg aardige mensen; een van de mannen kon zelfs een beetje Nederlands. Het kostte ons wat decodeerwerk; wat ons op het eerste zicht in de oren klonk als “where are you from?” bleek bij nader inzien “mooie vrouw” voor te stellen. Uiteindelijk kregen we de echte eigenaar van de zaak te zien; de man van de dag ervoor was immers maar een vriend. Deze lieve man, die wel een miljoen keer zijn verontschuldigingen aanbood, ging onmiddellijk op zoek naar andere deelnemers zodat we die middag om 13u konden vertrekken. Om half1 werden we al weggesleurd van onze bar, en in het gezelschap gezet van 3 oudere vrouwen uit Costa Rica met zwemschoenen aan en zijn familie bestaande uit 4kinderen en een jonge vrouw.

De boot kreeg het zwaar te verduren van de zee. De golven zochten overduidelijk ruzie met mijn maag, maar die gaf ik geen schijn van kans door mijn ogen strak op de horizon te houden. Na een tijdje woelig varen zagen we in de verte water omhoog spuiten en langzaam een vin, en vervolgens de rest van de rug uit het water komen. Ze zwommen voornamelijk met twee, naast elkaar. We leken steeds dichter naar hen toe te varen, tot ik op een gegeven moment zelfs vreesde dat ze zich onder ons begaven. Echt indrukwekkend grote dieren! Die gedachte flitste vaak door mijn hoofd toen ik besefte hoe lang het duurde tot het beest weer compleet onder water ging. Aan de langzaamheid van voortbewegen lag het zeker niet, want we moesten goed gas geven om ze bij te houden. Onder de indruk was ik helemaal toen een van de walvissenmannen – uit het niets - zijn staart met een grote zwier de lucht in smeet. Misschien maar goed ook dat er geen enkele gesprongen heeft; ik had simpelweg flauwgevallen en Valerie die had het gewoon niet overleefd. Die hoorde ik nu al zachtjes piepen: “Tessa, ‘k heb bang…”. Jammer genoeg zijn de hevige exemplaren pas te zien in Juli en Augustus, niet dat ik levensmoe ben of Val een hartaanval wil zien krijgen, maar dat moet toch echt ongelooflijk zijn om zien…

Die namiddag zetten we ons gewoon op het strand. Katrien en Valerie gingen wat volleyballen, terwijl ik passief mijn neus in mijn boek hield. Na verloop van tijd, keek ik op en waren Katrien en Valerie verdriedubbeld en opgesplitst in twee teams. Te verwachten dat ze niet lang onopgemerkt zouden blijven, maar toch won de curiositeit en ging ik op verkenning. Twee jongens aan ieders zijde waren er bijgekomen; en nog van aangenaam gezelschap ook. Uiteindelijk nam ik Valerie haar plaats in, die best blij leek te zijn met de verlossing. Dat werd dolle pret tussen de zelfverminkingen door. We hadden het heus naar ons zin, en hebben heel wat afgelachen. Pas toen het donker werd stopten we ermee, en al onmiddellijk werd er de vraag gesteld: “Morgen om hetzelfde uur?”

De volgende ochtend kroop ik met mijn door de volleybal blauwgeslagen onderarmen en een dikke pols op de bus naar Jipijapa. Op deze rit kreeg ik het gezelschap van Alejandro, een van de volleybaljongens. Hij studeert in Manta, en had een leuke babbel bij waarin ik mezelf heel gemakkelijk kon verliezen. Aangekomen, hielp hij mij op de bus naar Portoviejo, die dan rechtstreeks verder reed naar Canoa. Reizen langs de kustlijn is een onderneming van lange adem, maar diezelfde avond zat ik waar ik het liefste ben – al hangend op de straten van Canoa.

Maandag tot woensdag heb ik straathangend doorgebracht. Enkele intermezzo’s werden gebracht door maaltijden (de beste pizza in Surfshack, heerlijke fruitsla in Genesis,..), een blits bezoekje van Gabriel, en zoete invallen aan Posada de Daniel. Maar grotendeels van de tijd ben ik zoals iedereen te vinden op straat, in een of andere bizarre conversatie. De nachten werden daardoor best laat, en de ochtenden bracht ik al slapend door in mijn zandvrij bed. Het absolute ‘losgehen’ kwam pas echt tot zijn recht toen Ecuador 2-0 won van Argentinië! Hierbij vreesde ik echt beroep te moeten doen op mijn laatste leven, maar gelukkig was ik op tijd uit de voeten. Op deze laatste avond in Canoa toen de tijd was aangebroken om afscheid te nemen besloot ik hier niet aan deel te nemen. Zo heb ik van vele mensen simpelweg geen afscheid genomen, en onze laatste onzinnige gesprekken gehouden als onze persoonlijke adieu aan elkaar; leek mij alleszins beter dan een kant en klare “Chao” of eender welke onzinnige nonsens dat dan ter ore was gevallen. Met Daniel heb ik in mijn laatste half uur een mooi gesprek gevoerd waarvan vele woorden mij een eeuwigheid zullen bijblijven. Met Luis ging het er dan weer gecompliceerder aan toe, maar dat kenmerkt ons dan weer op onze manier.

De laatste dagen in Quito vlogen voorbij alsof de tijd aan een of andere inhaalbeweging deed. Ondanks uren die voelden als minuten wegtikkend op een tijdbom, maakten we er het beste van. Katrien, Valerie en ik deden het laatste dat op ons verlanglijstje stond – dat wat binnen het mogelijke viel natuurlijk. Zo ontbeten we in El Cafecito, deden een terrasje op Plaza Foch (het Gringo-plein), aten thuis met onze kleine maar dierbare familie (waarbij we Marvin dwongen zijn talenten als chef-kok boven te halen – hij is nooit meer chinees als dan!), en genoten extra van de kleine dingen zoals een volgepropte keuken waar iedereen zijn functie heeft en het altijd übergezellig is, slapen onder reggaeton-vibes, en wakker worden wetende dat de zon schijnt en ze je tegemoet zal komen zodra je de buitendeur van de keuken opent…

Het afscheid in Quito was emotioneel, om het zachtjes uit te drukken. We hadden het zo lang mogelijk uitgesteld, en ongeveer 3kwartier later dan gepland belden we de taxi op en was de vaarwel aan alles en iedereen onvermijdelijk. Iedereen was aanwezig (van Simone, Ilona, Lisa, Junior, Anne, Marvin, Sander, Roos tot Maria) en daar alleen al was ik ontzettend dankbaar om. Bovendien was iedereen zo ongelooflijk aardig, in woorden en daden, dat ik echt het gevoel kreeg geliefd te zijn en gemist te worden. De knuffels en vooral de humor maakten de zware dobber tot iets luchtigs, haast vrolijks voor mij. De enige moment van zwakte viel toen ik na mijn laatste woorden aan Maria, en onze omhelzing, haar aankeek en tranen in haar ogen zag. Ik kreeg onmiddellijk een krop in mijn keel, waarbij ik me wijselijk omdraaide en de taxi instapte. Een laatste blik wierp ik op onze kleine familie, die elkaar vasthielden alsof ze vreesden dat alles nu uit elkaar viel. In Maria haar ogen zag ik de tranen steeds hoger opzwellen, zo kreeg ik het ook zwaarder te verduren maar eens ze uit het zicht waren, zakten de emoties en was ik blij er te zijn weggeraakt zonder één enkele traan, want die had de oorzaak geweest tot een waterval zonder einde. De enige verklaring hiertoe is dat het gewoon nooit voelde als afscheid…

Al 2weken terug in België en er gaat geen dag voorbij zonder dat ik aan hen denk. Ik denk dan aan Maria haar kleine, fijne postuur en haar oprechte, altijd vriendelijke zelf en haar vrolijke babbeltjes, aan de gewantrouwde en de vriendelijke kuiser, Maria haar mama met de hoge schelle stem die ons nooit anders aansprak dan met “Niñas”, Roos die ik nog steeds takken zie spotten die ze voorziet als krokodillen gewoon omdat ze zelden nadenkt voor ze iets zegt, Marvin met wie ik een onvermoeibare haat-liefde relatie heb maar die ik, net als Roos, simpelweg adoreer, Anne & Junior die overduidelijk goed bij elkaar passen, José (soepel zoals een elastiek) die overal torenhoog uit de grond lijkt te spruiten of dit nu in Canoa of Quito is, Willy waarmee het steeds “casi perfecto” gaat, Hugo (met zijn eifeltoren-look-a-like tattoo op zijn rug, lijkt iets gevoeliger als zijn broeders) met wie ik een goede verstandhouding heb op basis van blikken en niet woorden, Angel die me als eerste en laatste een Sanahoria noemt, Marvin & Vinicio die pogingen ondernemen mij hun Spaans te onderwijzen (the compromising question), Daniel (een van de positiefste en meest charismatische mensen die ik ken) die eeuwig, altijd en met iedereen aan de praat is, onbezonnen Luis die altijd een zonnebril en pet draagt tenzij in mijn gezelschap, die als een politieker de oren van je hoofd praat maar uiteindelijk geen zinnig woord zegt, die uitbundig en kinderlijk luidop lacht wanneer ik zijn ‘cosquias’ vind (tener cosquias = wnn iets kietelt), die mokt als een klein kind om de meest absurde redenen, mij helemaal gek draait en de wereld mooier maakt – alleen maar door zijn eigen vreemde zelf te zijn.

Ondertussen hebben de eeuwenlange gewoontes mij al terug te grazen. In de afgelopen maanden lijkt er in ons klein apenland ook niet veel veranderd te zijn; buiten dat na 3jaar mijn straat eindelijk terug in het bezit is van een laag asfalt. De afgelopen 4maanden ben ik zelf geconfronteerd geweest met enorme verschillen in mentaliteit en rijkdom; hierdoor besef ik o.a. dat mijn kamer volgepropt is met de meest nutteloze rommel en dat wij, als Europezen, ons werkelijk doodwerken in vergelijking met hen. Allemaal niet de gemakkelijkste conclusies, zeker niet nu dat ik – als arme straatloper – gedwongen word mezelf terug aan te passen aan het westers werktempo. Gelukkig gaat mijn werk, in Metropolis, gepaard met heel wat humor. Zo hebben we nog steeds groot en klein die de foyer en zalen terroriseren met popcorn of eender welk plakkerig snoepgoed waar ze hun handen maar aan kunnen krijgen, het gezeur om dingen die zogenaamd belangrijk zijn, eindeloze vragen die je niet voor mogelijk houdt, de rollers die hen fascineren die niet weten dat ze maar zelden werken en de ene klant die minachtend tegen de ander mompelt “op een dag vind je de job van je leven” en daarbij denkt dat we ze niet horen. Ondanks de grote veranderingen in decor en de moderne verpakking, ontdekte ik al gauw dat binnen de muren van dit complex alles nog steeds zijn gewone gangetje gaat. Welkom thuis!

Dat mijn lichaam zich hier begeeft, daar twijfelt geen kat aan, maar waar mijn hart zich begeeft – daar ben ik in alle eerlijkheid zelf nog niet uit. In stilte neem ik nog steeds afscheid. Ik neem afscheid van het leven dat ik daar had opgebouwd, en waarnaar ik nooit meer kan terugkeren. Alleen maar in gedachten en mooie herinneringen. Maar anderzijds kijk ik uit naar alle andere avonturen in ’t verschiet; avonturen à la James Bond: “I’ll be back!”

donderdag 4 juni 2009

The Hunger (in the Amazon)

Lookbroodjes, champignonekes met lookboter, bruchetta, camembert, salade, krokketjes, satés en uiteraard voldoende wijn, bier & cola. Met een heus feestmaaltijd op tafel zat de sfeer er vrijdagavond goed in. We stonken een uur in de wind van de goed uitgeruste lookboter, plaagden elkaar mateloos, de jongens kwamen tot de conclusie dat mijn “bitter” leek op Pieter en voor ik het wist werd ik door Marvin op brutale wijze blauw geslagen. Een doordeweekse avond zou je bijna zeggen, maar dat was het niet want die avond lieten we het bruisend leven van Quito achter voor de rust van de jungle.

Cuyabeno wildlife reserve – dat werd ons toevluchtsoord. Eerst moesten we de bus nemen naar Lago Agrio, ongeveer 7à8 uur verwijderd van Quito, dan werden we na enkele uurtjes opgehaald door een busje die ons na een ritje van 3 uur afzette aan een lodge waar de kano ons na 3à4 uur zou afzetten aan bestemming.



Een hele reis dus. Tijdens die uitgebreide tocht zagen we best al wat merkwaardige dingen; zoals een volledig uitgehongerde man die met zijn uitstekende botten liep zoals een hond en een zogezegde “echte” hond die je enkel kan omschrijven als een otterhond. Door al zijn onnatuurlijk gekrijs (en vreemd uiterlijk) werd al onze aandacht en bezorgdheid naar hem toegetrokken, tót we een ander vreemd beest spotte; een uil met aapkenmerken. Een hele freakshow; welkom tot het amazonewoud ?!

Onze lodge, gelegen bij de Big Lagoon, zag er best netjes uit. Allemaal wat back to basics; de beperkte elektriciteit werd voorzien door de zonnepanelen, het licht door talloze kaarsen, en het douchewater werd rechtstreeks uit de rivier gepompt.
We sliepen met z’n vijven in één cabiña, die twee kamers had. Beide kamers waren voorzien van comfortabele bedden met muggennetten en we hadden ieder onze eigen badkamer. Vooral bedtijd was een spannende periode wanneer alles werd nagekeken op ongedierte. Zo heeft Marvin het gepresteerd zijn bed vol te krijgen met mieren, Roos om – na een bezoek aan de wc - een kikker op haar bil te krijgen, en Valerie die had vals alarm wanneer ze het kot bijeen gilde bij het spotten van het beestje op de dop van haar insectenrepellent …

We werden ook duidelijk aangewezen om te zwemmen in de grote rivier, aan de zijkant van de lodge. Hier was er sprake van een goeie stroming en bijgevolg geen last van ongewenste bezoekers die zouden kunnen consumeren als buitengewoon middagsnackje. De rivier aan de voorkant van ons verblijf werd afgeraden mits het de verblijfplaats zou zijn van een aantal kaaimannen. Later die avond zette Paula, onze gids, haar verhaal wat kracht bij. Op de aanlegsteiger zetten we ons allen samen om kaaimannen te lokken. Het enige geluid dat we in de stilte van de nacht konden horen was Paula die beatboxgeluiden produceerde om de roep van babykaaimannen na te bootsen. Best succesvol, want we zagen in de zee van zwart – met behulp van de zaklamp - heel wat reflecterende oogjes. En ondanks hun enorm traag en voorzichtig voorbewegen kon je het water langs hun lichaam horen wegtrekken. Brrr, middagmaal of avondmaal; mij niet gezien in die rivier, dat stond als een paal boven water!

Onze eerste echte dag in “La Selva” die brachten we door in de kano, met het spotten van het wildlife. Kleurrijke fladderende vlinders. Papegaaien die zich volproppen aan klei. Schildpadjes die sloom dobberen in de ochtendzon. De grijze rivierdolfijn die naar adem kwam happen, en water naar boven spoot. Adelaars die gieren bleken te zijn. Toekans die je gauw herkende aan hun aparte vleugelslag. Slingerende vrolijke apen; waaronder de squirelmonkeys, capuchinomonkeys, en de howlermonkeys. Indrukwekkend om zien. Je kan je echt eeuwig bezighouden met het spotten van natuurs prachtexemplaren.

In het namiddagzonnetje gingen we op missie: pirañas vissen! Ik vond het allemaal best spannend, na alle horrorverhalen over deze mensvretende vis… Maar al gauw werd ik gerustgesteld door de anderen, zo blijkt dat piranha’s enkel aanvallen in groep, wanneer er grote hoeveelheid bloed aan te pas komt én ze moeten hongerig zijn. Niets te vrezen dus… Ja, dat gevoel was plots spoorloos bij het zien van mijn hengel: een miezerig stukje kurk met daaraan vislijn, een haak en een stukje vlees. Roos naast mij kreeg een iets moderne versie; een stok met alles erop en eraan. Ik zag het al helemaal voor mij; hoe ze een vis zou vangen, met een heuse snok het uit het water zou trekken en het beest zich als een vampier in mijn nek zou vastklampen. Maar gelukkig – voor mij - ving ze een andere – niet levensbedreigende – vis! Verder werd er één piranha en een catfish gevangen, maar jammer genoeg niet door iemand van ons. En Valerie heeft nochtans vissermanbloed, dus wat haar excuus moge weze…?

Nee, het vangen van gevaarlijke diersoorten was nog niet voorbij! Die avond gingen we op tocht in de kano – om kaaimannen te vangen. Inderdaad, wat een gekte! Onze gids Paula en de natuurspecialist Daniel zagen er niet bepaald levensmoe uit, dus besloot ik mijn vertrouwen in hun te stellen. We toerden de laguna wat rond, en spotten verschillende kaaimannen – vooral in doodse stilte en van op afstand. Zo waren de meeste te groot om zelfs nog maar te dromen van een vangst. Maar ééntje op het land konden we erg goed zien en was het perfecte formaat, maar bij het naderen was ie al gauw verdwenen. Verdwenen… in het water … onder ons… Niet bepaald het gerustgesteld gevoel waar ik op gehoopt had !

Maandag stond er de Siona Community op de planning. Iets waar de meeste onder ons een beetje hun neus voor ophaalden, mits die rondleidingen soms nogal aan de slaapverwekkende kant durven zijn. Maar zoals bij echte kindertjes kostte het maar een beetje omkopen en we zaten op het puntje van onze stoel om te vertrekken. En àl wat daarvoor nodig was, was het codewoord: “chocolade”. De oplossing voor alles, laten we eerlijk zijn…

De community, gelegen aan de playas de Cuyabeno, was niet erg groot maar had wel ±200 kinderen onder zijn daken wonen. Tegenwoordig is de gewoonte daar dat iedere moeder ongeveer 7à8 kinderen koopt, terwijl de aantallen vroeger rond 15kinderen per moeder zaten (auwch!). De gemeenschap beschikt over een eigen schooltje, dat klaslokalen heeft waarin één leerkracht aan 2 verschillende jaren lesgegeeft. Oorspronkelijk werd er Quichua gepraat, maar nu is dat gelukkig veranderd naar Spaans zodat de kinderen, indien ze dit wensen, daarna verder kunnen naar de universiteit. Het waren alleszins de schattigste exemplaren - zeker met hun schooluniformpje aan. We hebben eventjes voetbal gespeeld met hen, en daarna het terrein wat gaan verkennen. Best nog een leuke rondleiding. Ze hielden er o.a. een klein vijvertje met schildpadden; dit omdat ze in het verleden zoveel van die beestjes opgepeuzeld hadden dat ze ze met uitsterven bedreigd hadden. Nu leveren ze hun bijdrage door er zelf te kweken en weer vrij te laten, zodat de aantallen weer wat bijgespekt geraken.

Na onze uitgebreide inslag op het winkeltje, vertrokken we terug naar onze lodge. Waar ik – hoogstwaarschijnlijk door mijn sugarrush – onhoudbaar enthousiast was om Marvin het water in te duwen. De arme jongen stemde nogal gauw toe en ik was in mijn nopjes. Op een of andere typische manier was mijn zwembroekje in Quito achtergebleven, en moest ik het stellen met een short – uiterst elegant. Maar mijn vrolijkheid was niet te temmen; zo huppelden we monter naar de aanlegsteiger en met heel wat gedoe, waarbij ik vreesde zélf in het water te belanden, duwde uiteindelijk Roos Marvin het water in. En dan heb ik nóg het onderspit mogen delven; nogmaals: mannen zijn onlogische wezens! Zo werd ik wederom volledig mishandeld en gedwongen om ‘samen’ het water in te springen. Zelfs mijn korte hysterische episode bracht hem niet van zijn idee af … Nu zou je denken dat nadat ik hem – na veel gegil en tegenspartelen - zijn zin had gegeven, dat hij zich tevreden van de strijd zou terugtrekken. Maar nee hoor. Ik had mijn hoogsteigen kano gevonden, die vasthing (niet “hong” – dank u) aan de aanlegsteiger, en was de mooiste kano die ik ooit in mijn leven gezien had. Mezelf volledig verloren in kinderlijke vreugde wiebelde ik heen en weer, klaar om te vertrekken naar mijn eigen sprookjeswereld. Tót Marvin op beulerige wijze aan alle pret een einde maakte, door mijn kano te doen zinken…! Altijd al geweten; konijnenmoordenaars; het is een apart soort!

Na talloze pogingen om de kano terug tot leven te wekken, moesten we haar opgeven en ons gaan klaarmaken voor onze jungletocht. We waren allen een beetje hyperactief en spotten zo vooral takken en bolletjes die we respectievelijk zagen als slangen en spinnen. Wél zagen we een kleurrijke kever, en een spinnenhuid die de voormalige bewoner had achtergelaten wegens uitbreidingen! Onze natuurgids had heel wat trucjes bij om het gebrek aan oerwouddieren te compenseren; zo maakte hij van verscheidende planten een rugzak, een val, en een gedeelte van een dak! Een echte handyman zeg maar. Onze gids beloofde ons wel dat we op het einde van de wandeling hun gevangen tarántula konden bezoeken. Aangekomen aan onze lodge was het mij al volledig ontgaan, tot we op enkele meters van het restaurant stopte bij een klein bananenplantje, en effectief op de stam van de plant zat een kanjer van een tarántula. Waar ze op de geruststellende term “gevangen” kwamen, mag Joost weten, want het beest was zo vrij als een bachelor… maar gelukkig niet dódelijk giftig. Wat ’n verademing, mh?!

Die avond spendeerden we in alle rust, in hoeverre dat natuurlijk mogelijk is met alle oerwoudgeluiden en een potentiële moordzuchtige tarántula om je heen. Zo hebben we een hele tijd naar de sterrenhemel gekeken, in pure adoratie. Ongelooflijk helder, en adembenemend mooi. Ik zou er een eeuwigheid naar kunnen kijken, zo mysterieus én romantisch! Verder hebben we nog kaartspelletjes gespeeld, maar voornamelijk onze tijd benut met het praten over eten… onze gezamenlijke passie die abnormale proporties aannam! 80% van onze gesprekken gingen over lekkers, en vooral lekkers dat we daar hoopten te krijgen. Zo kregen we Marvin bijna zover om een kakkerlak naar binnen te werken… maar die perste ons zodanig af dat we niet konden toegeven aan zijn eisen. Niettemin zorgde Roos en ik nog voor uiterst origineel theater; een ganse kakofonie. Plots zat er zo’n goor beest op mijn rug - zonder dat ik het doorhad - waardoor ik onbewust moest krabben en het verdomde ding op mijn vinger kroop en ik het uit pure reflex de kamer door katapulteerde – recht op Roos. Wel, ik kan je verzekeren dat ik breakdansers minder druk heb zien wiebelen als haar, geniaal! Good times!

Onze laatste jungledag was er een van kaliber! We gingen weer op trot en deze keer was er heel wat te beleven… Zo zagen we deze keer echte spinnen, en slingerden de apen boven ons hoofd heen en weer. Er waren gigantische bomen, waarbij de sjamanen geloven dat ze bewoond worden door geesten. Deze geesten weten alles over plantenkunde, en worden geraadpleegd door de sjamanen wanneer nodig. Dit bezoekje wordt gesubsidieerd door een drug die zo sterk is dat ze zelfs de moeder van cocaïne genoemd wordt – niet verkrijgbaar bij de apotheker dus! Wij hielden het wat heilzamer en beperkten ons tot het opeten van mieren – heerlijk. Jawel inderdaad, heerlijk, ze smaakten naar limoen en ik kon er wel een dozijn van op. Marvin, Roos en Katrien zagen het groot en aten daarbovenop nog een kokos-worm; een wit, geribbeld, levende worm waarbij je het hoofd hoorde kraken bij het verbrijzelen en – zo schijnt – bij de eerste kauw ook alle levenssappen uit het beest spoot. Niettemin werd het omschreven als: slijmerig maar smakelijk. We hadden allen de smaak goed te pakken, want bij elk mogelijk besje of beestje stelden we dezelfde vraag (vrijwel in koor): “Can we eat it?”

De insecten zijn niet altijd gemakkelijk te spotten, maar bij toeval ontdekte ik een wandelende tak. In het middelbaar had ik zelf wandelende takken als huisdier, en nog steeds vind ik ze fascinerend. Het zat daar dan, groot en bizar te wezen, hoogstwaarschijnlijk diep verzonken in gedachten – over wat op de menu stond die avond (want iedereen denkt aan eten in de jungle). Plots zie ik Roos haar hand naar het insect reiken en voor we het beiden goed beseffen nam het beest een gigantische sprong – tot op haar schouder. Waardoor Roos plots in het rond begon te dansen, als een hyperactieve ballerina met een gezicht vol pure doodsangst. Ik dacht dat ik mijn broek ging plassen van het lachen, onbetaalbaar entertainment! Lang leve Roos! Maar later die namiddag zorgde Marvin voor het kroonstuk. We moesten – avonturiers dat we zijn – een rivier oversteken over een boomstronk. De boomstronk krioelde van de mieren en het mos; proberen beide te ontwijken was onmogelijk. Aan de zijkant hadden we een niet stabiele leunbalk gekregen, om te helpen het evenwicht te bewaren. Het was een ware opgave en vooral een moedige onderneming om aan de overkant te geraken, maar wat moet – moet ! De twee gidsen, Katrien en ik bereikten zonder problemen de overkant, maar dàn was het de beurt aan Marvin (bless his soul). Hij had al een gigantische pechdag, en had geweigerd af te kloppen voor hij de boomstronk betrad. Alles verliep prima, tot de laatste meter, hij leunde iets te hard op de balk, waardoor die in elkaar stortte. Marvin gleed uit, en hing zoals een echte stuntman met één arm aan de boomstronk. Tot zijn supermankrachten verdwenen als sneeuz in de zon en hij na enkele seconden met een luide plons in de oranjekleurige smurrie belandde. Daar spotte hij een nieuwe boomstam om even op uit te rusten, maar ook deze kende geen genade en brak na welgeteld één minuut in twee, waardoor we allen dubbel lagen van het lachen. Now thàt is what I call : entertainment!

Na heel wat plagerij en na-schaterbuien, waren we klaar voor onze kanotochtje naar The Tower. Onderweg gingen we – op eigen verzoek – een tweede poging doen tot piranha’s vissen, misschien hadden ze vandaag wel zin in Marvin? Met zijn geluk die dag was hij immers ideaal aas. We sloegen ergens in, en onmiddellijk werd de motor afgezet. Onze gids werd muisstil, en al gauw durfden we amper bewegen. Ze sprak ons in zachte stem toe. Op 3 moesten we allen luid “March!” roepen. Nieuwsgierig keken we elkaar aan en op 3 gehoorzaamden we en galmden er een indrukwekkend commando uit. Plots hoorde we in de verte het marcheren van … brulapen? We keken vanuit ons baaitje naar de verre overkant, het bos in. Wauw… zeker wanneer onze gids ons informeerde dat het enkel wespen waren die dit geluid produceerden. Marching wasps, die bij bedreigingen allen samen marcheren om zo de indringer te verwittigen dat ze met veel zijn. Enkele seconden later was er al een scout op pad, die kwam verkennen. Stokstijf zat ik, want mijn angst voor wespen kan op zijn minst panisch genoemd worden… en een aanval ondergaan van wespen met schoenmaat 44 stond bijgevolg niet direct op mijn to-do-lijstje!

Gelukkig voor mijn mentale gezondheid waren we snel vertrokken, en verhuisden we naar een plekje om voor piranha’s te vissen. Hier leken ze inderdaad vrij hongerig te zijn en al gauw viste onze natuurgids eentje uit het water – zo lieten we het beestje de ronde gaan door de boot (gepaard met gewapper, gegil en Néé-getier van Valerie) voor het weer vrij te laten in het water. De tanden van deze bloeddorstige vis knapten luid op elkaar, en bezorgden mij rillingen van kop tot teen. Vlijmscherp en levensgevaarlijk leken ze,en het beest was amper de grootte van mijn hand. Enkele minuten na de vrijlating van het monster, werd er wild aan mijn hengel getrokken, en werd iedereen een beetje gek bij het zicht van een middelmatige piranha aan het uiteinde! Ik haalde hem voorzichtig en op afstand uit het water – en keek triomfantelijk naar onze gids “Es posible comer?”

En jawel, de vis was groot genoeg om te eten, en belandde die avond op ons bord ! Hij smaakte een beetje zout maar was eigenlijk goed te eten… Pure trotsheid dat mijn overvloed aan mannelijke hormonen me eindelijk iets productief had opgeleverd: zoals een “echte vent” had ik voor eten gezorgd die avond... planten plukken ha, who needs men?!