donderdag 30 april 2009

¡ No hay lugar como Galápagos !

In Ecuador ben ik als een kat met 9 levens. Tot die conclusie ben ik gekomen na mijn zoveelste bijna-dood-ervaring. Om een of andere onverklaarbare reden heb ik het donkere en onbewuste plan om hier te sterven, zo lijkt het toch. Mijn negen levens benut ik hier ten volle, misschien vandaar dat ik het gevoel heb dat ik hier al meer geleefd heb dan in mijn 22jarig Belgisch bestaan.

Een druk, gevuld en geweldig leven leid ik hier in Ecuador. Een 24 uur recupe kreeg ik na mijn verlengd weekendje kust, en dan was het tijd om op het vliegtuig te stappen. Bestemming: Galápagos eilanden. Ik had er zin in, zoveel was duidelijk. De vlucht verliep vlotjes, en tijdens onze stop in Guayaquil zaten we allen op het puntje van onze stoel tot we Samantha in de verte zagen opstappen. In San Cristobal was het een overgelukkig weerzien. Door al ons gegil, schel gekwekkel en overenthousiasme waren we de laatste op de bus. Onze groep bestond uit 17 mensen; waarvan 6 Belgen (Valerie, Katrien, Kathleen, Daniela, Pieter en ikzelf – niet toevallig allemaal bekenden), Julia uit Wales met haar ouders (Mmmyeah! Lush!), Samantha (ons Canadeesje, en alom bekend als mijn Ecuaodoriaanse zus vanwege de vele gelijkenissen), Paul in typisch toeristenoutfit die we kenden vanuit Yanapuma, de twee franstalige Canadezen met hun omverstaanbaar Frans dat niet zou mogen kwalificeren als deel van een wereldtaal, en dan nog de 4 feestvierende Israeliërs die – volgens mij - de coolste taal ter wereld spreken (Hebreeuws)! Voor 16 mensen wordt 1 gids voorzien, en met een totaal van 17 kregen wij er lekker twee! Ben was de gids met overvloedig veel boeiende informatie, terwijl Xavier als trouwe sidewinger instond voor de gekke bekken.

We begonnen onze tour op een vrij rustige wijze, met als eerste het interpretation center dat vooral geapprecieerd werd voor zijn koelte. De Galápagos eilanden hebben een immens warm klimaat, met 30graden als gemiddelde. Later hebben we nog een ganse wandeling gemaakt, met enkele prachtige uitzichtspunten en een Charles Darwin standbeeld (met immense handen) dat stond op de plaats van eerste aankomst. Een belangrijke levensles vond dan ook hier plaats; een mens heeft wel degelijk behoefte aan vocht en dat is geen kwestie van willen. Na ongeveer 30minuten stappen was ik compleet uitgedroogd en kon ik enkel nog maar lonken naar de fles water die de Canadezen onder ons bij hadden. Mijn geduld werd beloond, want na een uur kreeg ik eindelijk mijn hoogst persoonlijk flesje water te pakken. Mijn liefde voor water herontdekt.

Ons hotel op San Cristobal was een droom, de kamers waren gigantisch net zoals de douches en er was een overheerlijk zwembad dat de zon een ganse dag had opgewarmd. Die nacht had ik – zonder meer – machtig geslapen. De volgende dag stond er wat sport op de planning. Een wandelingetje naar een freshwater-craterlake, dat plots uit het niets bleek op te duiken. Het is de enige plaats op Galápagos waar de frigetbirds zich baden, vanwege hun lichte bouw mogen ze zich immers niet baden in zout water. Een wandelingetje rond het meer en dan was het tijd voor een mountainbike-tochtje. Ik hield mijn hart al vast, want een fiets en ik lijken haast natuurlijke vijanden. Helmpje op, remmen getest en met verse moed gingen we met zijn allen de baan op. Ze hadden ons ingelicht dat de ganse weg bergaf zou zijn, en daar keek ik naar uit. Eigenlijk vond ik het best nog prettig; een ferm vaartje naar beneden met de wind in de haren en genieten van het mooi uitzicht, daar kon ik wel mee leven. Dankzij mijn oplettendheid was ik ondertussen op losgekomen grind terecht gekomen en begon mijn fiets druk van links naar recht te schommelen. Vond ik iets minder leuk; misschien tijd om wat vaart te minderen. Maar uiteraard hoe meer ik remde, hoe meer mijn fiets zin kreeg om niet aan mijn wensen te gehoorzamen. Ondertussen was ik al niet meer op de weg aan het rijden, maar steeds meer richting struikgewas. Tijd om dringend snelheid te minderen, een iets forsere kneep op de remmen en het metalen monster smeet mij recht de bosbesstruiken in.

Zo ongelooflijk typisch mezelf; want ik weet dat ik niet mag fietsen. Een heus spektakel voor zij die achter mij kwamen, hoorde ik zo achteraf. “Wow girl, you went flying!”, om Julia te quoten. Mijn reisgenootjes die het geluk hadden mijn vlucht gezien te hebben besloten tegen mijn aanraden in om toch maar te stoppen. Ondanks mijn overtuiging dat alles in orde was, geraakte ik onmogelijk onder die fiets vanuit. Dan besloten mijn benen alle adrenaline te absorberen en te trillen alsof er net een aardbeving onder mij bevond. Met wat hulp ben ik rechtgeraakt, en moest ik onmiddellijk de auto instappen. De struiken hadden zich uitgeleefd; mijn arm, en vooral linkerbeen was volledig bedekt onder het bloed van de talloze modernistische schrammen.

Aangekomen op onze bestemming kreeg ik een hele opknapbeurt; waarbij ik doornvrij werd gemaakt. Plots zie ik Sam op mij afsnellen; ze was ook van haar fiets gevallen en had haar schouder over de asfalt geschuurd. We zagen er wel degelijk badass uit. Terwijl de rest naar het schildpaddenkweekcenter ging, werden Sam en ik naar het plaatselijk ziekenhuisje gebracht voor het uitkuisen van onze wonden. Het ziekenhuis bestond uit ongeveer 3 ruimtes, een waar een vrouw lag te sterven, een waar wij werden gemarteld en nog een ander die volgens mij gebruikt werd voor het opslaan van hun vervallen alcohol. Sam werd eerst onder handen genomen, en dan pas mocht ik de martelkamer binnengaan – vast zodat ik het gegil niet kon horen. De verpleegster was uiterst sereen en deinsde niet terug voor het ijverig uitschrobben van elke schram. Het meest pijnlijke werd nochtans de verwijdering van een doorn in mijn knokel. Die had zich volledig genesteld onder mijn vel, en had 3 verschillende pincetten nodig voor hij zijn strijd opgaf. Zo heb ik er achteraf nog 3 ontdekt in mijn pink, een aan de binnenkant van mijn hand,een aan mijn pols en een laatste in mijn bovenarm; stiekem heb ik toch plantenonderdelen kunnen uitvoeren uit Galápagos. Zoals ik al zei: badass!

Ondertussen zijn mijn schrammen netjes geheeld en heb ik nog wat ik met enige trots (en vooral verbeelding) mijn tijgerstrepen noem. Na verloop van tijd vormde er op mijn been nog een kanjer van een blauwe plek, die nu haast volledig weggetrokken is en met een beetje goede wil lijkt op een tattoe van The ring of fire. Zo vind je er geen twee hoor! Die namiddag ben ik nog twee maal gaan snorkelen, beide keren met een bang hartje bij het springen in zee, maar gelukkig pikten de wonden nog amper. De eerste snorkel, in Kicker Rock, was machtig! Kicker Rock is een gigantische rots die volledig in twee is gespleten,en in deze kloof zouden haaien te vinden zijn. Het is mogelijk om ze te zien zei Ben, maar echt overtuigd klonk hij niet.

Valerie en ik waren de laatste in het water, en zwommen op eigen tempo de groep achterna. Plots kijkt Valerie me aan met grote ogen en piept iets over een haai, waarbij ik begin te lachen. Jaja, “tuurlijk was er een haai” dacht ik bij mezelf, en daarenboven was haar gelaatsuitdrukking gewoon te grappig om serieus te kunnen blijven. Haar ogen werden groter, en ik moest onmiddellijk denken aan de grote boze wolf, waardoor ik nog net iets luider begon te lachen. Niet in dank afgenomen riep ze me nogmaals toe dat ze echt een haai zag. Ik had weinig zin om haar te geloven maar ze bleek wel vrij serieus te zijn. Ik kijk naar beneden en zag niks, dus haalde mijn schouders op en verklaarde haar stiekem voor gek. Paar seconden later keek ik nog eens door mijn snorkelbril en zag enkele meters onder ons een haai zwemmen. Nu was ik degene die piepte en haar reactie was er eentje vol angst – die ik volledig begreep. We waren met haaien aan het zwemmen, echt bangelijk!

De tweede snorkel was voor mij iets aangenamer, gezien ik niet elk commando van mijn overlevingsinstinct moest zien te onderdrukken. Lobos Island was een kleine baai dat stikte van de zeeleeuwen en mooie kleine kleurrijke visjes. Als je de zeeleeuwen op het land ziet, dan kan je je lach niet onderdrukken: ze lijken gewoon zo lomp, sloom en vooral onhandig. Ze kruipen, struikelen, manoevreren en mislukken, maar eens ze het water raken zijn ze ongelooflijk elegant, behendig en onvoorspelbaar snel. Ze zijn dol op spelen en zijn uiterst nieuwsgierig, zo zwemmen ze tot enkele centimeters van je neus en als ze genoeg gezien hebben zijn ze weer vertrokken. Hier hebben we ook voor de eerste keer een reuzewaterschildpad gezien, die lag wat te dutten op de bodem: indrukwekkend!

Die avond waren we allen voldaan; wat een ongelooflijk prachtige dingen dat we wel niet gezien hadden! Ik heb echt mijn ogen uitgekeken ... zo fantastisch allemaal ! Jammer genoeg kwam er die avond nieuws uit Quito die een aardige domper op de feestvreugde was. Toen Katrien mij riep met de telefoon in de hand, dacht ik voor een enkele seconde dat het Luis was die mij belde maar toen ik haar snuitje zag wist ik onmiddellijk dat er wat schorde. Roos belde van thuis om te vertellen dat er in het huis was binnengebroken, en dat onze kamer was leeggehaald. Koffers opengebroken; laptops meegenomen, $200 dollar van Katrien en mijn gsm weg. Die avond zijn we onmiddellijk onze kaarten gaan blokkeren, en vooral geprobeerd om de shock te verwerken. Was niet zo een goede dag om Tessa Frijters te zijn, dat stond als een paal boven water!

De volgende ochtend voelde ik mij eigenlijk nog het slechtste, en had wat tijd nodig om bij te draaien. Net zoals na mijn val was ik op een rare manier blij dat ik mijn ongeluk met iemand kon delen, dat iemand begreep hoe ik mij voelde. Door deze 3 maanden, en zeker in Galápagos, heb ik met Katrien en Sam het een en het ander meegemaakt. Wel, zoiets moet toch een band scheppen?! Op onze boottocht naar Floreana kreeg ik mijn absoluut dieptepunt; de benzine van de boot was mij immens misselijk aan het maken en ik stond op punt van extreem zeeziek te worden. Ik was ervan overtuigd dat ik een geelgroen kleurtje had gekregen, en de snel opvolgende boeren beloofden alleszins niet veel goeds. Tom, de grappige Israeliër, merkte mijn toestand op en gebiedde mij naast hem te komen zitten, in de frisse wind en mijn ogen op niets anders dan de horizon te houden.

In een waas hoorde ik iedereen enthousiast door elkaar roepen; wat over een dolfijn. Ondanks de geslonken misselijkheid durfde ik mijn ogen niet van de horizon ontnemen, ook al was ik zelf enorm nieuwsgierig! En dan - uit het niets - sprong er enkele meters verder een dolfijn uit het water. Ik staarde gewoon, met mijn mond open, ik moet de enige geweest zijn die hem gezien had. Op dat moment drong het tot mij door dat ik zo immens veel geluk heb gehad sinds mijn verblijf hier. De prachtige dingen die ik gezien heb, de geweldige plaatsen die ik bezocht heb, maar vooral: de ongelooflijke mensen die ik ontmoet heb – daar kon het brokje slecht nieuws nooit tegenop!

Onze boottocht naar Floreana was dus voor mij een ware “eyeopener”. Op Floreana zelf, een eilandje dat 200 mensen huist; hebben we de “Piratecaves” bezocht. Een miezerig holletje – een gat in een rots - , meer was het niet, dat de schoen van een piraat had kunnen herbergen, maar om die erin te proppen daar moest je wel eerst een diploma voor behaald hebben! Bespottelijk! Gelukkig was de snorkel in de namiddag dan wel weer fenomenaal, en waren we allen weer volledig onder de indruk van al die onderwaterwonderen. Al die tropische vissen; onbeschrijflijk; we hebben zelfs hele school vol met Dories gezien ( Je weet wel – Finding Nemo!). We waren allen vol liefde naar een zeeleeuw aan het kijken die met een zeester aan het spelen was, terwijl zijn vriendje een poging ondernam de camera van de Israëlische Blondie te stelen. Echte geniepigaards, die zeeleeuwen!

Nog een beetje nadromen op weg naar Isabela, het grootste eiland met 6 vulkanen waarvan er 5 actief zijn! Die avond hebben we ons op een paradijslijk strand geplaatst en met zijn allen naar de sterren gekeken. Perfect moment om een gesprek te houden over de zin van het leven. Heerlijk zoiets, naar de oneindigheid staren en enkel de pracht bewonderen, en ondertussen je gedachten de vrije loop laten gaan en het beste ideeëngoed delen. Echt heerlijk!

“Horsesnorkeling? Arent we going horsesnorkeling? I thought we were going... but wont the horses drown?” – zo zal ik mij Tom altijd herinneren. We gaan één keer niet snorkelen en het arm doetje was compleet verward. Paardrijden stond er op de planning - en nog wel naar de Sierra Negra Vulcano! De Chiva bracht ons tot aan de paarden – er stonden er wel 40! Ieder kreeg een paard toebedeelt, en er was wel degelijk over nagedacht. Mijn paard had net zoals mij krullen, en had er duidelijk zin in. De tocht naar boven was op een kalm en relaxed tempo; af en toe een drafje en verder rustig stappen. Ideaal, want ik wou geen enkel detail aan mij voorbij laten gaan. De Sierra Negra vulkaan was echt indrukwekkend en vooral immens – een 10km brede vlakte met zwart vulkanisch as. Het leek alsof er een atoombom op was beland en dat er niets over was gebleven buiten stilte en een gigantisch zwart gat. Dichtbij Volcan Chico stapten we af en begonnen onze hike. De ondergrond bestond uit uitsluitend vulkanisch gesteente en je kon je levendig inbeelden hoe de lava was gestroomd. De vormen die het had achtergelaten waren gewoon bewonderingswaardig. Een nieuwe vlakte, die haast reikte tot aan de kust, was bedekt met lichte niveauverschillen, opengebroken plateaus, en verschillende kleuren. De kleuren varieerden lichtjes, van zwart naar bruin, donkergrijs tot een donkerrood, een obscuur en mysterieus kleurenpallet zeg maar. Haast onmogelijk om je ogen eraf te houden.

De paardrit naar beneden was geweldig! Bijna de ganse weg (een tocht van 2.5uur) gegalloppeerd we. Mijn paard volle teugels gegeven, en mezelf maar voor mijn lieve leven vastgehouden. Wat een snelheid (en horsepower) zat er in dat beest! Voor ik het wist zat ik in een race met de 4 Israelische armyboys, die maar voor weinig terugdeinsden. Het paard van Tom had een overduidelijke voorkeur voor het achterwerk van mijn eigenzinnige knapperd. Maar die was enkel te vinden voor de alternatieve routes, en dat zorgde wel voor wat lachwekkende situaties! Jammer genoeg moesten we daarna een 20 minuten wachten tot de rest van de groep arriveerde. Dolgelukkig en helemaal in mijn element, vertrokken we terug naar het strand – om daar nog wat na te genieten.

De volgende dag bezochten we “Las Tintoreras”; waar je de rustplaats van de white tipped sharks kon zien. Hun manier van bewegen was zo elegant en vinnig dat het bijna hypnotiserend werd. Ze zijn dan ook uitgerust met natuurs beste snufjes; zoals geweten kunnen ze bloed van kilometers ver ruiken, en daarbij weten ze ook meteen of het hun natuurlijke prooi is of niet. Hun lijf is echt verbluffend in elkaar gestoken, zo is hun gehoor zodanig fijn ontwikkelt dat ze je hartslag kunnen horen. Tegenover hen zijn wij natuurlijk maar een lompe verzameling van botten en vet.
Die namiddag hadden we weer een snorkel op de planning, die gewoon altijd de moeite zijn. Het water was erg ondiep en in het water geraken met die zwemvliezen was een hele opgave, maar na een korte blik onder water ben je alle zorgen vergeten. Welja, zorgen...

Het Charles Darwin center; vol met reuze schildpadden en leguanen. Daar ontmoette we “Lonesome George”, het laastste reuzeschildpad van zijn soort. Dat het onmogelijk is zijn soort voort te planten, daar trekt hij zich allemaal niets van aan. Met een goed vaartje zat hij achter een vrouwtje aan; de gids kon amper zijn ogen geloven! Dan bezochten we Diego – de dekhengst der reuzeschildpadden. Die werd ontdekt in San Diego Zoo en overgebracht om zijn soort van “uitsterven” te redden; en hij is een ware held want zijn uithoudingsvermogen heeft de Galápagos voorzien van een 200tal nieuwe exemplaren. Diego zagen we dan ook op zijn best – in volle actie – hij had zich bovenop een vrouwtje geschraapt en willen of niet – nummer 201 was in de maak!

Een wandeling door een lavatunnel; dat stond op de planning in de namiddag. In mijn hoofd was ik er al stiekem te spot mee aan het drijven; wat ze allemaal niet verzinnen om te verkopen. Tot we er eindelijk aankwamen, het leek op een ijlenlange grot waarbij in vergelijking de grotten van Han een slechte grap zijn. In stilte rustig om me heen gekeken, wat echo’s gevormd en dan stiekem een gebedje geplaatst dat de muren niet zouden instorten en mij met hen zouden vereeuwigen. Ik wou mijn geluk immers niet testen! Ontspanning had ik nodig, en dat kon nergens beter dan in Tortuga Bay. Een eeuwigheid wandelen over wat leek op de Chinese Muur, kwamen we aan bij dit prachtig strand. Aan de slaperige leguanen en dobberende pelikanen te zien voelde iedereen zich daar wel vrij ontspannen. Wat gezwommen, en gekeken naar de Israelische actionshots (soort van “KungFu”moves) en er zat alweer een heerlijke dag op!

Ons Galápagos-avontuur was bijna afgelopen; onze voorlaatste dag die brachten we door bij de blue footed Boobies op North-Seymour. Het eiland van de versierkunsten. De mannelijke frigatevogels blazen hun rode nek volledig vol met lucht en schudden met hun vleugels; allemaal om indruk te maken op de vrouwtjes. De vrouwtjes landen dan naast het mannetje naar keuze; om aan de serieuze zaken te kunnen beginnen. Maar de echte hartenrovers zijn de mannelijke Boobies die dansen om de vrouwenharten voor hen te winnen. Ze heffen langzaam hun helderblauwe voetjes op, stappen eens in het rond en fluiten; énorm adorabel. Als het vrouwtje overtuigd is dan komt ze naast hem staan, en danst ze na verloop van tijd met hem mee. Verkocht ben ik voor de technieken van de blue footed boobies, pakke beter dan sommige flauwe openers waar ik het in mijn leven al mee heb moeten doen, die zijn zo schattig niet hoor!

Een laatste snorkel nabij een strand dat leek te komen uit een vakantiebrochure van de Carraïben, nog een kanotochtje in de haven van Santa Cruz en een bezoek aan “Los Gamelos” krater en dan was het tijd om vaarwel te zeggen tegen deze unieke eilanden! De pracht en praal valt niet in woorden te omschrijven, maar is zonder meer overduidelijk aanwezig op elk afzonderlijk eiland! Onnodig om te vermelden dat het een absolute aanrader is?

Besitos
Teresita

dinsdag 21 april 2009

Eso es la vida - en Canoa

Best spannend – mijn eerste weekend helemaal alleen op stap. Oké, laat ik nu niet overdrijven, mijn solo-journey beperkte zich tot de heen-en terugreis van Quito naar Canoa. Nietemin een ganse reis; België had ik in die tijd al 3 keer kunnen doorkruisen.

Mijn busrit naar Bahía de Caráquez was best interessant. De taxi zette mij af aan de busterminal van Reina del Camino, waar ik maar wat onwennig rond mijn eigen as stond te draaien. Wees maar overtuigd dat zoiets niet ontglipt aan het Ecuadoriaanse oog. Een kwartdraai verder en ik was al aan de praat met enkele mannen en iets later met een vrouw die zo vriendelijk was haar nummer te geven – in geval van nood. Mijn verrassingsoverlevingspakket – van de kleine en de gemakkelijke – overleefde mij bijna niet, met resultaat dat ik halverwege de busrit met redelijke haast de bus even afmoest. Alles afgehandeld in sneltempo, uit schrik dat de bus zonder mij zou vertrekken, heb ik een heel tijdje verward en slaperig de stoel aan de andere kant van het gangpad geobserveerd. Ik had kunnen zweren dat er een man had gezeten, zo•n exemplaar die zich ongegeneerd had uitgerekt op zijn stoel en de bus wakker had gehouden door walvisgeluiden na te bootsen in zijn slaap. Misschien had ik gewoon goed geluk en was hij de mensen achteraan de bus hun slaap gaan ontnemen? Tegen 6 uur s ochtends en met een aanzienlijk slaaptekort kroop ik als laatste uit de bus. Mijn observatietechnieken waren beter dan verwacht, want er was effectief nog een tas in de kofferruimte die nu zonder eigenaar was... Blijkbaar deelde de chauffeur dezelfde mening over de man zijn snurkcapaciteiten als ik – beter elders!

Een fietstaxi naar de aanlegplaats van Bahía de Caraquez, een boottocht naar San Vincente en dan de hobbelbrommer naar Canoa; mijn solotour mag niet onderschat worden. Daar aangekomen liep ik Jorge tegen het lijf, die duidelijk verrast was door mijn bezoek en besloot Luis in vol enthousiasme te gaan roepen. Die was net wakker en ongeveer even charmant als ikzelf in de ochtend; zo bromden we wat tegen elkaar en gingen ieder ons ding doen. Zelfs de zo gemiste comfortabelheid van het bed kon mij niet voor zich winnen; slapen zat er voor mij gewoon niet meer in. Luis en Jorge waren ondertussen aan het surfen; iets dat ik niet wou missen en – in alle geniepigheid – toch eens wou bekijken. Vroeg in de ochtend was er niets te horen buiten het geruis van de golven, heerlijk. Toch tot een van Luis zijn neven mij had gespot. Zo heb ik wel 5 exemplaren aan mijn been gehad. Wat het totaal ook mag wezen, het moet toch dicht tegen de 50 zijn. Ja, dat lijkt mij een vrij realistisch aantal.

De rest van de dag heb ik doorgebracht als een zwerver. In de slaapzaal van Bambú Hostal ontmoette ik Karin, een meisje uit Nederland die in Quito bij ons in huis woont. Leuk gezelschap, tot een bepaalde limiet. Mijn kostbare tijd heb ik grotendeels doorgebracht op het strand, bij wat dorpelingen waar ik al aardig mee bekend was. Weinig onderhoud vragen die jongens, daar hou ik wel van. Ze houden zichzelf bezig met voetbal, jongleren, surfen, of het versieren van een nieuw doelwit. Het laatste zorgde voor mij nog voor het meeste entertainment. Versieren zit nu eenmaal in hun bloed; een jongetje van 13 die op je afstapt en de eerste beste opener tevoorschijn tovert met een stralende glimlach is de normaalste zaak van de wereld. Liefkozende kusjes, massages, een schouderklopje en complimenten bij de vleet; het is allemaal dagelijkse kost. Zelfs ondanks hun onverstaanbaar taaltje zijn hun versiertechnieken haast feilloos; toegegeven: een opmerkelijke gave.

Bij de vrouwen zijn het dus echte charmeurs, maar onderling zijn het – zoals overal ter wereld – echte varkens. Hun mannelijkheid moet worden bevestigd door boeren, scheten en vooral vuile moppen. Zo krijgt elk meisje wel wat te verduren. Van Elenore, een medecompagnone uit Frankrijk, kreeg ik te horen dat een vriendin van haar op haar verjaardag haar portie ruimschoots had ontvangen. Ze had een verjaardagstaart gekocht om met iedereen te delen. Enkele jongens stelden dan ook de logische vraag of ze de taart wou snijden, en toen ze antwoorde dat ze dat wel wou doen had ze blijkbaar onbewust en ongewild beaamd dat ze met verschillende jongens het bed wou delen. Zo zie je maar dat aan hun uitzonderlijk “slang”-taaltje toch heel wat haken en ogen zit.

Het dorp blijkt vooral uit jongens te bestaan; vooral omdat de meisjes thuis worden gehouden. De mannen lummelen dagelijks het straat wat rond en voeden quasi elkaar op. Er geldt dan ook een soort algemene broederschap, waarbij zelfs het inpikken van elkaars meisje min of meer getolereerd wordt. Op het strand leren ze elkaar vanalle trukjes: gaande van jongleren met messen of bierflessen tot salto•s en flikflaks. Gooi er een leeuw en een olifant bij en je hebt een heus circus om van te genieten. Er zitten alleszins enkele echte artiesten in – Cirque de soleil weet waar recruteren! Heropvoeden zal een iets moeilijkere missie worden, maar ik vind hun losbandigheid net hun charme. Ze hebben allemaal hun eigen •crazy laugh• en een tattoo dat hun persoonlijkheid nog net iets meer afscherpt. De tattoos gaan van hele tekeningen, grote en kleine sterren, dieren, tot volzinnen zoals “surf es mi vida”. Surfen; hun enige echte passie waarbij hun tabla (surfbord) hun enige echte liefde vormt. Zo ben ik toch opgeleid om te geloven, maar compleet overtuigd ben ik niet.

Het weekend bestond vooral uit relaxen, en niets doen. Wat op het strand hangen met een vrolijke bende gekkigheid, lokale surfers hun beste moves zien uithalen, al snoezend op mijn strandlaken de zon zien ondergaan, prakken in een hangmat, probleemloos een spelletje Jatzy winnen tot grote frustratie van mijn tegenstander, een film zien die enkel dient tot het uitkuisen van de traankanalen (een man zijn vrouw verliest en zijn kinderen worden afgenomen,opgesplitst en opgesloten in de meest verschrikkelijke instituten - kan er meer drama zijn?), kijken terwijl de jongens de regels van pool compleet de wind in slaan en dan juichen wanneer ze op hun eigen manier “gewonnen” hebben, drankjes delen terwijl iedereen ongegeneerd danst op het eerste beste reggaenummer, Luis groen zien worden na het leven iets te fel gevierd te hebben,... Zo is het leven in Canoa – simpelweg uitzonderlijk. Wanneer mensen mij vragen of ik daar zou kunnen wonen, dan moet ik altijd even nadenken. Het leven is daar zo ongelooflijk makkelijk, dat ik vrees dat ik als westerling al gauw onrustig zou worden. Terwijl ze daar materialistisch gezien amper iets lijken te hebben, lijken ze aan de complexiteit van onze maatschappij te zijn ontsnapt. Terwijl wij in België vol trots verkondigen dat wij een der beste ter wereld zijn qua sociale zekerheid, hebben zij een familie die zo groot kan zijn als een gans ziekenhuis. Zij genieten van de simpele dingen in het leven, wat vaak – in onze dagelijkse haast - aan ons voorbij gaat. Dus terwijl zij vol trotsheid 5 Engelse woorden naar je kop slingeren, blijven wij – als geëduceerde mens - ons leven lang onze nikkel afdraaien voor wat? Gezondheidszorg?!

dinsdag 14 april 2009

The heat situation

Onze busrit naar het Benidorm van Ecuador was – zoals te verwachten – een avontuur op zich. De passagiers gebruikten de bus naar Salinas als een heuse verhuiswagen; zo hebben Roos, Valerie en ik alles zien passeren van honden, konijnen, soort krabpalen, gigantische zakken kledij/ graan tot tafels. De 10uur rijden met weinig slaap was best vermoeiend. We waren dan ook erg blij toen de man eindelijk “Salinas!” riep, en we trokken gauw onze schoenen aan en sprongen de bus uit. We rekten ons uit, en liepen met onze reisgidsen een stukje verder. Ik stak het op mijn vermoeidheid dat het er allemaal anders uitzag dan ik mij had voorgesteld. De vrouw van het tankstation kwam met de verklaring: we waren helemaal niet in Salinas, maar in La Libertad – een dorpje te vroeg. We zouden de bus moeten nemen om daar te geraken, absurd, want we waren net van onze bus gestapt. We staken het straat over, en wonder boven wonder kwam onze bus er net aanrijden. (Lang leve Ecuadoriaanse timing!) Het voordeel aan het status “gringa” is dat je zoals een BV nogal snel herkend wordt, en de bus stopte. De ticketcontroleur stak zijn hoofd uit de deur en vroeg al grijnzend: “Otra vez?” (nog een keer?) Roos, de onschuld zelve, antwoordde uiterst adorabel: “No está Salinas!” (Dit is niet Salinas). De man schudde al lachend zijn hoofd en wuifde dat we maar gauw moesten opstappen.

De aankomst in het echte Salinas zorgde haast voor een onmiddellijke zonneklop. “Abril, lluvia mil”; de aprilse grillen van Ecuador, maar van al die zogezegde regen merkten we niet veel; een 32°C zonder schaduw. Bakken, braden en ja toch ook wel grillen; van ‘saignant’ naar ‘à point’ in ongeveer 3 minuten. In deze hitte gingen we op zoek naar een hostal, en dat bleek een levenswerk. De hotels gingen van Neckermanns bestsellers naar bouwvallige wrakken. De hostal “Las Olas” , met een onbeschrijflijke “sprankelende receptie”, was het toppunt van alles. De kuisvrouw leidde ons rond het complex van kamer naar kamer, en fluisterde ons steeds toe dat we een andere kamer moesten kiezen vanwege of de geur, lawaai, of... Het was zo gek nog niet, of je vond het daar. Uiteindelijk zijn we teruggekeerd naar ons voorgaand hostelletje, dat iets duurder was maar tenminste beschikte over normaal functionerend personeel.

Salinas mocht dan al niet veel voorstellen in mijn mening, de matrozen mochten er toch wel wezen! Misschien vandaar dat we het militaire strand F.A.E. (waar de surfcompetitie zich bevond) zonder al te veel problemen vonden. Van de surfwedstrijd begrepen we niet al te veel – het had gewoon geen (Europese) logica denk ik. De surfers waren dan ook al iets minder knap dan we gewoon waren – en daarenboven allemaal onder 18jaar (en zonder oudere broers – waarom doet een mens zoiets?)! Gelukkig konden we ons troosten met gratis fruit, en de donatie van een panamahoed. Maar mijn echte troost kwam later - wanneer de eerste echte knappe man die dag passeerde – lang, mooi gebruind, surferbody, krullen – en verdacht veel lijkend op .. Gabriel !

Jawel, de vrienden van Canoa waren afgekomen! Mijn gsm was ongeveer 20minuten buiten Quito uit netwerk gevallen, en ik had niemand kunnen bereiken sindsdien. Tussen al die drukte was het dus echt een dikke meevaller om hem tegen het lijf te lopen. Hij wees me waar ik de rest van de groep kon vinden; en iets later stonden Roos en ik tussen alle andere mannen en familieleden die ons gretig insmeerden met zonnecrème en ons voeden met kokosnoot. Er werd goed voor ons gezorgd, dat stond vast. Desondanks zat Valerie iets verder op onze spullen te passen – en die gingen we wat gezelschap houden. Jammer genoeg zijn we de mannen daarna compleet uit het oog verloren. De avond vulde we met het eten van pizza (bij een zeer gedienstige ober, die elk stuk in je mond zag verdwijnen zodat hij zeker op tijd was om een nieuw stuk op het bord te leggen) en een kort bezoekje aan een surffeestje dat blijkbaar enkel bestemd was voor de jonkies onder 18.

De volgende ochtend hielden we ons bezig met het bestellen van bustickets, ontbijt, en het verlaten van onze kamer. Toen we op het strand van de F.A.E. kwamen, waren we te laat en werd iedereen verplicht het strand te verlaten want de show was afgelopen! Inderdaad, we hadden de finale gemist. Iets te typisch, dus gingen we maar op een ander strand niks doen – en ijsjes eten. Na goed wat relaxtime in zon en zee, was het tijd om te vertrekken.

Wegens het moeten doorwerken op feestdagen in Semana Santa (heilige week), kon ik nu extra tijd doorbrengen aan de kust. Daarom trokken Roos en ikzelf verder door naar Montañita, bekendstaand als HET surferparadijs in Ecuador. Valerie daarentegen moest terugkeren naar Quito. Jammer, want de busrit naar Montañita was enorm entertainend. We werden vriendelijk op de bus geholpen en wanneer de bus gevuld zat (een half uur later dan gepland) vertrok ze naar haar bestemming. Roos en ik vormden al gauw een nooit-eerder-geziene-attractie, en werden door iedereen aangesproken en ondervraagd. Een blik alleen al was aanstalten voor een ganse gidsbeurt; een man presteerde een ganse uiteenzetting bij ELK dorp dat we passeerden. Terwijl hij ons vertelde dat het ene dorpje bekend stond voor zijn tonijn in tegenstelling tot het vorige dat meer gekend was voor zijn zoute scampi’s, draaiden alle gezichten zich om en bleven ons onbeschaamd aangapen. De mannen achter ons tikten op onze schouders zonder ophouden – en ons kruisverhoor leek eindeloos. Wanneer we eindelijk dachten alle vragen gehad te hebben, begonnen ze - tot onze ontzetting - gewoon van begin af aan. Overduidelijk waren ze erg behulpzaam en zijn we probleemloos in Montañita terecht gekomen.

Een man uit Barcelona had de ganse commotie in de bus gevolgd, en kwam de gringa’s vragen waar we gingen verblijven die nacht. Iets waar wij natuurlijk geen idee van hadden. Met mijn Lonely Planet en zijn onderhandelingstalenten vonden we een hostal voor $7/nacht met ontbijt. Maar we zouden geen echte vrouwen zijn als we niet vonden dat de plaats er niet leuk genoeg uitzag, en keerden geniepig terug naar het Tsunami-hostal (met de arrogante eigenaar) dat er bedrieglijk comfortabel bijstond. Voor $8/nacht zonder ontbijt kregen we een kamertje. Tevreden gingen we maar meteen een stapje in Montañita zetten, en via een telefooncel met een $3dollarkaart (lang leve de methodes van de oude garde) kon ik naar Luis bellen, een van mijn vrienden vanuit Canoa. Hij kwam ons meteen zoeken en we hadden ineens gezelschap voor de rest van de avond. Het gezelschap was niet altijd van niveau, maar dat heb je wel eens meer als je optrekt met een bende mannen. Ze kennen mij hier immers allemaal als Teresa (wegens problemen met de naam Tessa); en nu blijkt dat die naam rijmt op heel wat vulgaire woorden en dat er dus een lied over bestaat. Dus, dat laat mij met “Madre Teresa” of de vuile hoerennaam, wel liefste mammie, ik weet niet hoe ik je daarvoor moet bedanken.

Het dialect aan de kust is een beetje te vergelijken met Hollands en Belgisch, waarin Hollanders (vgl. met Quito) gebruik maken van de correcte woorden en taalgebruik en de Belgen (vgl. met de kust) eerder onverstaanbare dialecten spreken. Wanneer ik Luis & Gabriel hoor spreken, moet ik altijd een beetje denken aan een West-Vlaming: de hete patat in de mond en de noodzaak niet zien tot het gebruiken van medeklinkers of einde van woorden. Eens mijn liefste vrienden doorhadden dat ze een tikkeltje trager moesten spreken, gebruik dienden te maken van woorden en de wijn een tijdje rijkelijk was gevloeid, was de conversatie uiterst amusant. Wanneer mijn Quiteños-Spaans hun voor de zoveelste keer dubbel kreeg, begon ik gewoon Flamenco (Vlaams) te spreken, wat leidde tot een gans gesprek over België, haar taal, ligging en specialiteiten zoals bier en chocolade. Vooral het bier werd een passioneel onderwerp, mits Gabriel overtuigd was dat de beste bieren van Holland kwamen. Onze valse noorderburen die gaan lopen met onze eer, niks van, die heb ik snel hersteld en zelfs enkele bieren aan ons toegeschreven die niet bij ons behoren. Wie weet nu ook dat Corona Mexicaans is?!

Toen we arriveerden op ons kamertje, ontdekten we dat er stof van de ventilator op ons bed was gevallen, de badkamer krioelde van de rode mieren, de vervallen douche op elektriciteit liep en Roos was niet zeker maar dacht dat ze iets onder het bed zag wegspringen. We zijn dan maar dicht bij elkaar gekropen – ver weg van alle spleten en barsten in de muur. Dankzij ons slaapmutsje hadden we een goede nachtrust en we waren snel de kamer uit om “Montañita by day” te verkennen. In reisgidsen wordt het beschreven als “Montañita which for many years was simply a locally surf spot, has blossomed into the largest surf resort in the country and one of Ecuador’s largest backpacker hangouts” “From the baggy shorts to the friendly, sleepy demeanor, surfer-dude culture is universal. .. The accompanying Rasta vibe and laid-back ethos means the end of the road for some.” Beide zijn vrij correcte beschrijvingen, mits je er niets anders terugvindt dan hostals, bars, gringo’s, rasta-dudes en hippies. De meeste mensen zijn gedurende dag en nacht stoned of dronken, en dat maakt Montañita zonder twijfel DE feestbestemming!

Voor mij betekende Montañita niet ‘the end of the road’; want mijn volgende bestemming werd Canoa. Luis vertrok die namiddag met zijn familie naar Canoa,en ik was welkom om hen te vergezellen. Roos besloot op het laatste moment om haar schoolwerk nog een dagje uit te stellen en met ons mee te gaan naar het échte surfersparadise!

“ Surf addicts, artisan fishermen and increasing numbers of sun-seekers all share this gorgeous, fat strip of beach.” (Canoa volgens de Lonely Planet)

De auto werd een ganse opeenstapeling van mensen: in de kofferbak zat Luis zijn gestoorde neef (die achter elke zin een gek lachetje laat klinken – cómo un animal) en Aimée (4jaar), op de achterbank zaten Luis, Roos en ik. De auto werd bestuurd door Nicole, en naast haar zat Jorge met kleine Jonathan van 11 maanden op zijn schoot. Gezellige, opgepropte boel. Gelukkig was de rit niet zo ver, want de eerste stop was Las Tunas, een verlaten strandje op weg naar Canoa. Daar lieten Roos en ik ons overspoelen door de golven, terwijl de mannen die met ‘t grootste gemak overwonnen met hun surfplank. Allemaal wat zelfvoldaan op ons eigen manier kropen we terug knus dicht bij elkaar in de auto. De muziek was zalig, en aandacht had ik ook niet tekort, met Luis zijn arm om me heen en kusjes op mijn schouder van zijn gekke neef. Het werd nog een lange rit waarin we verkeerd reden (omdat de mannen het niet wouden bekennen!) en we nog een boot en taxi moesten nemen. Tegen half11 ‘s avonds kwamen we aan in Canoa. De ober van Hostal Bambú maakte ons nog gauw wat lookbrood, en fruitsla – en na een overheerlijke douche kwam Luis ons halen voor een lokaal feestje in de Aloha-bar.

Dit feestje dat we kwamen ‘crashen’ bleek het verjaardagsfeestje te zijn van een of andere Kathy. Het duurde enige seconden voor we aan de praat geraakten met een aantal mannen van onze leeftijd, en iet langer voor we op de dansvloer stonden. Er werd luid geklapt, gedanst en vette sfeer gemaakt. Het Afrikaans stamgevoel kwam pas echt tot zijn recht toen alle meisjes in het midden van de kring werden geduwd en de mannen “Whoehoewhoe”-geluiden begonnen te maken en nog luider begonnen te klappen. Een beetje bizar, maar eigenlijk uiterst plezant. Het echte feestnummer blijkt “Over the rainbow” van Bob Sinclair te zijn, waarbij er oorverdovend meegekeeld wordt en druk in het rond gesprongen wordt. Volledig erin opgaand zie ik Roos uit de kring hinken met een gepijnigd gezicht; bleek dat “El Gordo” op haar voet was gesprongen. Een man die met gemak tegen de 200kg aanhikt. Tja, een van de voordelen van Canoa is dat er een grote verscheidenheid is aan mannen: ‘voor ieder wat wils’ zou je zelfs kunnen zeggen. Iets wat die avond net in het nadeel van Roos (en haar blauwe voet) bleek te spreken. Toen het feestje wat op zijn einde liep; werd er buiten met de trommel een formidabel ritme gespeeld. Hierop begonnen de lokale jongens Capoeira te dansen; fenomenaal om te zien ook al was het misschien amateursniveau. Vervolgens trok iedereen naar het strand – om te zingen, dansen, zwemmen,… De maan was bijna vol, en het zag eruit als een romantische filmset. Een moment om nooit te vergeten…

De volgende dag gingen we naar “La isla de los monos”, samen met Daniel (Danny, mijn surfleraar van mijn vorig bezoek), Marco (Viva Ecuador-guy) en zijn vriendin Amélie uit Parijs, en Luis. Vanaf Daniel zijn hostal, La Posada de Daniel, vertrokken we met zijn wankel autootje zonder remmen voor een wild ritje van een kwartiertje. We reden door een landschap dat heel wat aandoet van Afrika met haar baobabbomen. Echt om je ogen uit te kijken, maar het imposantste was toch het strandje waar we arriveerden. Het maagdelijk strandje had van beige naar zwart gekleurd zand, het water liep over van turkoois naar diepblauw, en in het begin van de zee lag er een verloren stuk boomstronk waarvan enkele gracieuze takken het water indoopten.

We liepen allemaal op automatische piloot direct het water in – waar de golven iets steviger waren dan verwacht. Luis riep mij toe om onder de golf de duiken, waarbij ik zijn raad weglachte en één seconde later volledig ondersteboven gezwiept en meegesleept werd tot aan het strand door de kracht van de golf. Liefelijk bezorgd en ook een beetje boos kwam hij checken of ik het wat goed stelde. Ik antwoordde dat er geen enkel probleem was terwijl ik elegant nog al het water uit mijn longen aan het hoesten was. Wel, dat zal mij leren om niet te luisteren naar iemand die zijn ganse leven met niets anders bezig is dan golven. Nog half bestaande uit zeewater ben ik maar op die boomstronk geklommen; genieten van golven op een afstand – meer iets voor mij!

De rest van de middag hebben we gevuld met een Spa-moment (insmeren met zwart zand), snorkelen, gezellig keuvelen, en eten van choclos (maïs). Oh, en vooral onze tocht door de jungle mag ik niet te vergeten. Daniel sloeg op de terugweg plots een overwoekert weggetje in, naar een oerwoudgebiedje waar apen moesten wonen. Ondanks ons goed nagebootste aapgejoel wouden ze maar niet komen. Wel geraakten we nog eens vast met de auto, wat ook zorgde voor wat vermaak. Een heerlijk ontspannend dagje, en een van de beste in mijn leven tot nu toe!

Helaas moest Roos die avond terug naar Quito en gelukkig bleef ik achter voor nog 2 dagen in Canoa. Ondertussen had ik al veel vrienden gemaakt en beloofde het nog een fijne tijd te worden. Beide dagen bracht ik door op het strand en geraakte ik aan de praat met Maria-Clara, een meisje van Zwitserland. Samen met haar ben ik gaan poolen, dansen en bedolven geweest door aandacht. Jorge, neef van Luis, wou ons salsa-lessen geven, en net toen hij mij rechttrok voor een portie afzien begonnen ze het liedje van “Feliz Cumpleaños” te spelen. Hij heeft mij – aan mijn hand – op een zeer overtuigende manier door het hele pand getrokken en de rest van de avond heb ik mogen beantwoorden hoe oud ik wel niet was geworden. Hilariteit ten top!

In mijn klein weekje kust heb ik enorm veel plezier gehad, maar vooral enorm fijne mensen ontmoet. De mannen zijn daar geboren charmant, maar ook ontzettend aardig. Princessa Tania is een van de lokale chicas die ik heb leren kennen, en echt schatje! Iedereen noemt mij daar Teresita, en ik voel me er thuis – ver weg van thuis. Canoa is dus een plaats die ik altijd in mijn hart zal dragen – omwille van verschillende mensen, herinneringen en iets dat ik daar geleerd heb:

“¡ Todo es posible, nada está seguro! “ (Alles is mogelijk, niets is zeker)

PS: ontdekking van de week: volgens de Lonely Planet is Danny een “former junior surf champ”! ¡Qué sorpresa! Wel, ik ben alleszins “opgeleid” door een pro!

woensdag 1 april 2009

¡ Sí se puede !

De Spaanse school van Yanapuma dat gelegen is in een koloniaal huis ( van de ex-vrouw van een of ander bekende artiest waarvan ik de naam niet kan onthouden), is tegenwoordig één verdieping hoger te vinden. Mits de verhuis vrijdag plaatsvond staken Katrien en ik graag een handje toe. Een hele hoop spullen werden heen en weer gesleurd, en dat zorgde voor een gezellige drukte. Een drukte die de rest van de avond zou blijven sudderen. Iets later kwamen Evelyne, Dieter en Saf op bezoek en arriveerden de ouders & broers van Katrien, wat in het geheel zorgde voor een blij weerzien. Met Lisa, Roos, Katrien, Valerie en ikzelf erbij was het al gauw full house.

Om 21u was er afgesproken aan Papayanet, dé verzamelplaats voor alle feestneuzen. Door alle vrolijke drukte hadden we onze afspraak gemist, maar als echte kenners gingen we ons instinct achterna en belandden we één straat verder in Huaina, een bar met spotgoedkope (en toch sterke) cocktails. Heel wat bekende gezichten keken ons verheugd aan. Zelfs Andy en Pablo, onze twee bazen, waren aanwezig. Ongeveer een tien minuutjes later kwam Vinicio binnendruipen met nog een aantal studenten. Dat beloofde een leuke avond te worden!

Na wat goedkope moed te hebben ingedronken, stak iedereen zijn beste beentje voor op de dansvloer. Er werd veel afgelachen, en onze liefde voor Pablo werd enkel groter na het observeren van zijn originele dansmoves. Maar na een tweetal uurtjes besloot ons bescheiden groepje, dat bestond uit Lisa, Roos, Valerie, Katrien en ik, terug naar huis te keren. De volgende dag moesten we immers vroeg uit de veren. De ouders van Katrien verwachten haar al om kwart voor 8 bij hun hostal, en de rest van ons zou rond diezelfde tijd vertrekken naar een vulkaan ten Noorden van Quito.

Alweer een vulkaan; ik weet het, ik lijk wel zelfmoordzuchtig. Onbegrijpelijk, ik ben hier nochtans heel gelukkig. Een groepje van 7 ging zich eraan wagen. Erika (U.S) had nog katerverschijnselen na de overload aan cocktails vorige nacht, Lavigne (NL) had wat last van de Quito-lucht die gelijk zou staan aan “30 sigaretten per dag”, Vinicio verkeerde in mol-modus mits hij om een of andere onverklaarbare reden zijn bril thuis was vergeten, Steven (U.S.) slaapwandelde nog half en Roos, Lisa en ikzelf hadden maar een bang hartje voor wat er komen ging. Een gemotiveerde groep van 7 zeg maar. Iets voorbij Mitad del Mundo stopte onze bus en stapten we allemaal gehoorzaam uit na Vincio zijn welgekend order “¡Vamos por favor!”.

Pulupahua; de vulkaankrater waarin we gingen afdalen, zou de grootste in Zuid-Amerika zijn en is uniek dankzij haar ligging op de evenaar. Haar laatste eruptie gebeurde ongeveer 2400 jaar geleden,en is ondertussen terug bewoond. Binnenin heerst er een uitzonderlijk microklimaat waardoor er, op deze 3km, hard aan landbouw gewerkt kan worden. De inwoners zijn erg gesteld op hun leven binnenin de krater, en kunnen dankzij hun speciale ligging ecologisch te werk gaan door het gebruik van bio-energie. De inheemse bevolking is dan ook overtuigd van de kracht en energie dat Patcha Mama (moeder aarde) aan dit gebied heeft meegegeven. Wij, als gringo’s, waren vooral onder de indruk van de lappen landbouwgrond die in verschillende kleuren en vormen ingesloten lagen tussen de kraterwanden van de Pulupahua.

Ondanks haar natuurlijke schoonheid, zag het modderpadje naar beneden er niet bepaald aantrekkelijk uit. Het was dan ook niet verwonderlijk dat Vinicio al na de tweede bocht onderuit schoof. Zijn trouwe vriend de bril had vast wel wat kunnen helpen, zo i.v.m. dieptezicht en al die handige dingen die ogen kunnen verlenen. Ik besloot dan ook maar laatst te lopen; zo kon ik extra genieten van het domino-effect wanneer mijn voeten zouden beslissen mij niet meer te ondersteunen. Gelukkig moest niemand zich daar druk om maken, en wandelde we al gauw beneden tussen de zwerfhonden en het geheel aan boerderijdieren.

Die namiddag deden we niet al te veel, beetje wandelen – kijken – eten, en rusten wat uit, want we gingen nog een zware klim tegemoet. Ik hoef vast ook niet te vermelden hoezeer ik mezelf vervloekt heb op weg naar boven. Twee weken na een helse wandeling op een vulkaan, stond ik alweer te zweten en te puffen tussen al dat vulkanisch uitwerpsel. Na een uur gemompel en gekreun stond ik tot mijn eigen verbazing alweer boven. Prettig was de tocht uiteraard niet geweest, maar ik was wél content dat ik deze keer niet nog 4à5 uur kruipwerk voor de boeg had.

Ondertussen had Quito alweer heel wat last gehad van aanhoudende regen. De rotsen waren nogmaals van de bergwanden afgebrokkeld, en hier en daar kon je (letterlijk) een waterval bewonderen. Het duurde ons daardoor ook extra lang om thuis te geraken. Na een overheerlijke maaltijd in The Maple (het vegetarisch restaurant van Quito), kreeg mijn crew me nog overtuigd om een avondje te gaan stappen. Huaina, ons stamcafé, kon ons alweer een avondje entertainen. De sfeer was een beetje platjes bij het binnenkomen, maar na zelf - met een caiperiña in de hand – een beetje gek te doen op de dansvloer stond die al snel vol met ander dansend volk. We ontmoeten al gauw nieuwe mensen; een dude uit Engeland die bij de Hare Krishna beweging zit; Joseph de hiphopper en mijn persoonlijke favoriet Manuel. Na wat tijd doorgebracht te hebben op de dansvloer met salsamuziek, en al verscheidene mannen weggestuurd te hebben, kon ik het niet meer aan en besloot ik terug aan tafel te gaan zitten.

Mijn kont geparkeerd op die stoel, was ik samen met Valerie naar alle in-het-rond-tollende dames aan het kijken. Het zag er allemaal zo professioneel uit. Stiekem was ik wel wat lastig op mezelf; ik nam immers salsalessen en nu was de ideale tijd om te oefenen. Daarenboven was ik het beu om tegen mannen te zeggen dat ik niet “wou” dansen; waarbij ik dan altijd het gevoel heb dat ik hen beledig terwijl ik eigenlijk – in alle eerlijkheid – gewoon te verlegen ben. Mijn mentale marteling stopte toen mijn in het niets starende blik onderbroken werd door het hand van een man; alweer een dansaanvraag. Mijn hart zuchtte en ik keek op om hem vriendelijk te bedanken, maar toen ik mijn ogen opsloeg en zijn vriendelijk gezicht zag had ik haast automatisch mijn hand in zijn hand had gelegd. Voor ik het goed besefte had hij mij met een hartelijke glimlach recht getrokken. De “dans” was een catastrofe (en dat mag je best letterlijk nemen), mits hij met tonnen ritme heen en weer bewoog, terwijl ik met enige zelfspot een poging tot eenzelfde beweging deed. Gelukkig hebben we tijdens mijn persoonlijke tragedie nog een vrij kwalitatieve conversatie kunnen houden.

Na twee liedjes had hij de hulpeloosheid van de situatie door en bedankte mij voor de dans. Ik was content dat ik het toch geprobeerd had. Ik zat welgeteld 10 seconden, en hij stond alweer voor mij met zijn pretoogjes en een vrolijke uitdrukking op zijn snoet. Ik verklaarde hem openlijk gek, hij lachte begrijpend en zei dat hij het opnieuw wou wagen omdat hij mij graag mocht (een compliment dat altijd gewaardeerd wordt). Toen hij op een gegeven moment een opmerking maakte, moet ik eerlijk bekennen dat ik enkel het werkwoord had verstaan. Doordat mijn gezicht boekdelen spreekt had hij onmiddellijk door dat ik er geen snars van begreep. Hij trok zelf een bedenkelijk gezicht en fluisterde in mijn oor “My English is no good..” met een feilloos illegaal accent. Ik glimlachte breed om zo mijn lach te onderdrukken; dat was het minste wat ik kon doen mits na zijn eindeloze pogingen bij mijn “salsa”. Ik geloof dat hij mijn inspanning apprecieerde en boog zich nogmaals voorover en zei “ Is nice … Is nice”. Ik weet nog steeds niet of het als een mop bedoelt was, maar ik lag dubbel van het lachen. Hilarisch! De conversatie werd daarna alleen nog maar leuker (en komischer)! Verder had hij nog complimentjes in petto over mijn Spaans,het feit dat ik snel bijleerde en dat ik over ’n maand een echte salsadanseres zou zijn. Ik vind het allemaal zo schattig, dat alle mannen zo behulpzaam, hoopvol en naïef zijn hier. Over het algemeen enorm positief ingesteld, en ze zien overal het beste in. Een boontje heb ik wel voor de Ecuadoriaanse mentaliteit onder de mannen, en vooral voor hun hartveroverende oneliners!

Na zijn vertrek was ik in een ongelooflijk vrolijke stemming. Ik had mij al compleet belachelijk gemaakt, en het kon mij niet meer schelen of mensen nu wel of niet keken. Dan kwam er een jongen op mij af om te vragen of ik van België was, en toen ik hem confirmeerde dat het klopte, draaide hij zich met een glimlach om. Bleken dat achteraf gasten te zijn waar we enkele weken geleden de boel mee bont hadden gemaakt. Ondertussen had Roos vrienden gemaakt met de Hare Krishna dude die een extra komische noot meebracht, en Lisa had een initiatie tot hiphop via Joseph. Chevere (Ecuadoriaanse slang voor “tof, cool”!) die gast, hij had de moonwalk en andere hiphopmoves perfect onder de knie. Maar, voor alle Belgen, hebben we het feestje beëindigt met een knaller, en dat kan natuurlijk met niets beter dan een Polonaise! Nadat we de hele tent mee hadden gekregen in ons treintje, zongen we met zijn allen nog het “Hallelujah”-lied van de Krishna-dude… Redelijk marginaal op dat uur!

Het feestje stopte om half4 en een tweetal minuten later waren we thuis. We kropen allemaal ons bed in en na een zestal uren slaap was ik alweer wakker. De zenuwen beslopen me al een beetje, want om 13u moesten we klaarstaan op het school. We gingen aan het stadium proberen om ticketjes voor de match Ecuador – Brazilië te bemachtigen. Als echt voetballiefhebber was ik deze keer niet bepaald gesteld op de mañana mañana houding. Mijn transformatie in Stressa was dan ook onvermijdelijk. Ik wou ons 5’n (Dieter, Saf, Evelyne, Valerie en ikzelf) absoluut ten laatste om 12u50 zien vertrekken, wat’n hele opgave beloofde te worden zonder Katrien. (Katrien helpt immers altijd om te zorgen dat we op tijd vertrekken). Uiteindelijk vertrokken we 5minuten te laat, en kwamen aan bij Yanapuma in semilooppas. Broodnodig bleek achteraf, want de groep ging net vertrekken. De busrit op de Ecovia was evenzeer zenuwslopend, mits er geduwd en gewrongen werd in pogingen tot jatten. Aangekomen aan het stadium was er een uitgesproken drukte, overal liepen verkopers met T-shirts, verfpalletjes en gelukkig ook tickets. Vinicio duidde een verzamelplaats aan en vertrok op zoektocht naar een schappelijke prijs. Iets later kwam hij af met een handvol ticketen die had op de kop had getikt voor $30.

Nu zat de voetbalstemming er pas echt in. Een deel van ons had de $4 voetbalshirt aan en ons gezicht was beschildert in de kleuren van Ecuador. Om de vijf meter vonden we iemand die regenponcho’s verkocht, iets waar we onderling een beetje over aan het gniffelen waren. Ze herhalen immers hetzelfde woord op zeurderige, scherpe toon, en dat is gewoon iets heel typisch voor hier. Na enkele controles wandelden we het stadium binnen, dat volledig gevuld was met gele T-shirts. Mijn glimlach werd al gauw af mijn gezicht weggeveegd wanneer we door een ferme stortbui overspoeld werden. Ik slaagde erin om half te schuilen onder iemand zijn paraplu, en terwijl de dikke druppels van ’n andere paraplu over mij heen te krijgen. De bui was gelukkig maar van korte duur. Toch al druipnat vonden we ons een plaatsje vooraan. Dat het in een grote plas was, maakte mij niks uit, want het zicht was fenomenaal! Twee uurtjes moesten we wachten voor de kick-off. We maakten allemaal een pronostiek, en wachten vol ongeduld op het Braziliaanse team. Deze vlogen over vanuit Guayaquil, en zouden recht daarna op het veld komen om op te warmen. Zo zouden ze het minste last hebben van de hoogte (wel, dat heb ik mij tenminste laten wijsmaken)! Toen Ronaldiño op het veld kwam, kreek ik onmiddellijk een speedcursus scheldwoorden. Wat ’n haat! We hebben het ons dan ook niet gewaagd als enige te juichen bij zijn opkomst.

De sfeer was enorm moeilijk te beschrijven, want zodra we de teksten tot de liedjes door hadden ging ik er zelf volledig in op! “¡Vamos ecuadorianos, esta tarde, tenemos que ganar!” of de korte, krachtige versie: “¡Sí se puede!”. Het geheel was ‘n fantastische ervaring, en de wedstrijd geweldig. De Ecuadorianen hadden zonder twijfel balcontrole, en dat zorgde voor enorm veel kansen. Toen ik eindelijk dat Braziliaanse net zag bewegen na een shot op het doel, gilden en sprongen we in het rond. Jammer genoeg had ons zicht ons bedrogen, en was het zijnet geraakt geweest … Tegenvaller! Maar dat hield ons niet tegen om nog extra luid te roepen en brullen. Wanneer Ronaldiño de hoekschop nam werd het getier en gejoel luider en luider, en je voelde de agressiviteit duidelijk stijgen. Het werd dan ook muisstil toen we het net van de Ecuadorianen zagen bewegen, en toen we de Brazilianen elkaar zagen omhelzen wisten we het zonder meer: ze hadden gescoord. Ondertussen brak er een gevecht uit iets verder en draaiden iedereen zich om want het ging er hevig aan toe. Vuisten vlogen heen en weer en er werden rake klappen uitgedeeld.

Deze overvloed aan testosteron was niet aan mij besteed en ik merkte dat de Ecuadoriaanse ploeg plots enorm goed bezig was. Ze passeerden vlotjes de verdediging van Brazilië, en ik voelde het enthousiasme echt in mij opborrelen; en voor ik er zelf controle over had begon ik luider en luider “¡ Vamos !” te roepen. De andere hoofdjes van onze groep draaiden zich om om net op tijd de goal te zien. Jaaaaaaawel ¡ ¡ GOOL !! Heel het stadium ging uit zijn dak, en zelf veranderde ik in de Hulk (en dat zonder Golden Power Katrien!) en begon de longen uit mijn lijf te gillen… Heerlijk! 1-1; en daar is het dan ook bij gebleven. We vertrokken met een tevreden gevoel naar huis; we waren niet geheel ten schaamte gezet door Brazilië en we hebben nog steeds ’n kans om te kwalificeren voor de wereldbeker! ¡Sí se puede!

Ondertussen zijn we een uur verder verwijderd van België, met een uurverschil van 7uur. Maar hier in onze kamer is het een beetje thuis; de ouders van Katrien hebben héél wat Belgisch zoets meegenomen (Yipie!). En nu dat ik weer wat voorzien ben van Golden Power en dinokoeken, ben ik beslist in de zevende hemel terecht gekomen…

Volgende week vertrekken Valerie, Roos en ik naar Salinas;om te kijken naar The Quiksilver ISA World Junior Surfing Championship! Volgens amigo’s van Canoa: “High recomanded”, ik weet het jullie te melden…

Besitos xxx
Teresa