maandag 29 juni 2009

It's not over until it's over

Met veel gejammer en vrijwel letterlijk pijn in het hart ging onze laatste week Ecuador in. Ondanks het nakende afscheid van al het moois, liet ik me nog voor de laatste keer zorgeloos gaan. En zoals men weet ben ik het meest in mijn element “ a la costa”, waar vrijheid dagelijks gevierd wordt.

Na onze jungletocht; en vooral vermoeiende rit terug naar Quito waren we allen aan wat rust toe. Maar zoals we de lieve Heer het best kennen kiest Hij doordacht zijn momenten uit om moeilijk te doen. Heel wat papierwerk en andere rompslomp beloofden bijna al onze tijd in te nemen, maar dankzij Katrien haar weloverwogen actieplannen waren we strategisch en volledig efficiënt de straten aan het afschuimen om alles tijdig op punt te krijgen. Na 4maanden samenwerken en afstemmen op elkaar mag gezegd worden dat we een heus team vormen. Zo slaagden we erin tijd over te hebben voor extra leuke dingen zoals eten in ‘Boca del Lobo’ (hét restaurant van Quito!). Vrijdagavond werden we verwend door Marvin en Roos die voor ons een etentje hadden voorbereid en ons overladen met hoopjes liefde in de vorm van een kaartje en ’n knuffeltje. Stiekem verdenk ik onze Noorderburen ons te willen kraken en de traankanalen in werking te zetten; maar de Belgische garde kan jullie verzekeren dat ze haar natie heeft verdedigd door de lippen stijf te houden en de traankanalen droog…

Het was diezelfde vrijdag dat Valerie haar tas, voor het weekendje kust, in 20minuten kreeg ingepakt en dan nog wel in de donkere! Ja, in de donkere, want de seconde dat ze boven in haar kamer stond om de boel onder handen te nemen, viel de stroom uit en heeft ze het moeten stellen met een zielig zaklampje als enige lichtbron. Voor zij die Valerie kennen zullen dezelfde soort fierheid voelen die ik voor haar voel, want twintig minuten is zonder enige twijfel de nieuwste recordtijd! Ondanks deze medailleopleverende actie had de hele inpak- en stresssessie ons genoeg vermoeid om de komende 11uur compleet knock-out te gaan op de beste busrit ooit!

Aangekomen in Puerto López vonden we onszelf (in alle eerlijkheid vond de man ons) een hoogstpersoonlijke taxichauffeur. Taxi Taxi – motor met een bak aan, laten we een kat een kat noemen. De rit was hobbelig maar heerlijk; ondanks de bewolkte hemel was ik helemaal in mijn nopjes: ik hou immers van de geur van frisse zeelucht. Zalig, ik word er hemels rustig van. We bezochten eerst Hostal Mandala; een origineel gedecoreerde hostal met alles erop en eraan, en waar de prijs evenveel toeters en bellen had. Met $20/nacht zaten we iets boven budget, dus vonden we onszelf maar een minder indrukwekkende hostal aan het strand, waar we 2nachten konden blijven voor dezelfde prijs.

We slenterden op ons gemakje door het vreedzame dorpje, waar alles gewoon in alle stilte zijn gangetje ging alsof er nooit een kwaad woord gewisseld zou worden. Aan het strand zetten we onszelf bij een barretje voor ontbijt; een pannenkoek met vers fruit én een versgeperst fruitsapje – overheerlijk! De man aan de bar kietelde mijn lachspieren bij een haast eindeloze monoloog over de goedheid van zijn ijsblokjes (“is good ice – not from river”) en zijn overtuiging dat ‘de gezondheid van de maag’ niet om mee te lachen was. Heel wat nonchalante horeca-uitbaters gebruiken inderdaad ongezuiverd water dat mijn maag- en darminhoud gedurende een week zou doen leeglopen, maar zijn gebrekkig Engels maakte het onmogelijk de grijns van mijn gezicht te houden. Zo’n mensen mogen er meer zijn…

Die namiddag voelde ik me al gauw een prinses toen we onze eigen taxi vonden, die ons overal heenbracht waar we maar wensten. Zo hadden we nog een hele discussie met de ticketverkoper van Machalilla National Park; die ons overduidelijk probeerde af te zetten en er nog haast in slaagde ook! Maar nadat we ons gelijk behaalden schokten we met chifles (bananenchips) en verrukkelijk vers, spotgoedkoop fruit naar Playa de Los Frailes. Aangekomen op dit prachtstrand, moest ik mezelf er even terug op wijzen in Ecuador te zijn en niet op een of andere exotische vakantie aan de Caraïben. Het strand was parelwit, langs beide zijden omsluierend door rotsen, en het water bezat tinten van turkoois tot donkerblauw. De golven waren schrikwekkend wild, en sloegen af en toe met een luide klap om. Nochtans hield dit de pelikanen niet tegen de zee te beroven van haar inhoud. Dappere dieren, die ieders aandacht trok bij het schouwspel van zwerven en duiken, tot de lusten gestild waren.

Stoutmoedig waagden Katrien en ik ons in het water, zonder angst door Poseidon verzwolgen te worden. Een enkele keer kreeg een kanjer ons te grazen, en tolden we door het water om dan al happend naar lucht boven te komen. Dit deed ons twee keer nadenken, en bij het zien van zijn mama besloot ik het op een kort spurtje te zetten. De zuigkracht van de zee bij zo’n krachtig exemplaar zou op heel wat mannen indruk gemaakt hebben, maar maakte ontsnappingspogingen - zoals de mijne - tot een wanhoopsdaad. Maar waar een wil is, is een weg – en de mijne bracht mij veilig en wel terug op het strand waar ik ongestoord van het leven kon genieten.

Zondag stonden we op tijd op, ontbeten op continentale wijze en stonden stipt om 10uur op de afgesproken plaats voor onze tour. We hadden namelijk een tour geboekt om op zee walvissen te gaan spotten. In Juni begint het walvissenseizoen in Ecuador, en daar wouden wij toch iets van meepikken. We herkenden onmiddellijk een van de mannen die we de dag ervoor gesproken hadden; die wees ons vluchtig in de richting van het strand en gebood ons daarheen. Een hele tijd wandelden we over het strand in de hoop iemand te spotten die ons zou helpen, tot iemand ons vertelde dat onze boot was vertrokken… zonder ons! We zijn dan teruggekeerd naar waar we onze tour hadden geboekt, en hadden het donkerbruin voorgevoel opgelicht te zijn geweest. Maar op onze terugweg kwam een man ons halen, en bracht ons naar de juiste personen. Hoewel het in mijn verwoording lijkt op een maffiaverhaal, waren het erg aardige mensen; een van de mannen kon zelfs een beetje Nederlands. Het kostte ons wat decodeerwerk; wat ons op het eerste zicht in de oren klonk als “where are you from?” bleek bij nader inzien “mooie vrouw” voor te stellen. Uiteindelijk kregen we de echte eigenaar van de zaak te zien; de man van de dag ervoor was immers maar een vriend. Deze lieve man, die wel een miljoen keer zijn verontschuldigingen aanbood, ging onmiddellijk op zoek naar andere deelnemers zodat we die middag om 13u konden vertrekken. Om half1 werden we al weggesleurd van onze bar, en in het gezelschap gezet van 3 oudere vrouwen uit Costa Rica met zwemschoenen aan en zijn familie bestaande uit 4kinderen en een jonge vrouw.

De boot kreeg het zwaar te verduren van de zee. De golven zochten overduidelijk ruzie met mijn maag, maar die gaf ik geen schijn van kans door mijn ogen strak op de horizon te houden. Na een tijdje woelig varen zagen we in de verte water omhoog spuiten en langzaam een vin, en vervolgens de rest van de rug uit het water komen. Ze zwommen voornamelijk met twee, naast elkaar. We leken steeds dichter naar hen toe te varen, tot ik op een gegeven moment zelfs vreesde dat ze zich onder ons begaven. Echt indrukwekkend grote dieren! Die gedachte flitste vaak door mijn hoofd toen ik besefte hoe lang het duurde tot het beest weer compleet onder water ging. Aan de langzaamheid van voortbewegen lag het zeker niet, want we moesten goed gas geven om ze bij te houden. Onder de indruk was ik helemaal toen een van de walvissenmannen – uit het niets - zijn staart met een grote zwier de lucht in smeet. Misschien maar goed ook dat er geen enkele gesprongen heeft; ik had simpelweg flauwgevallen en Valerie die had het gewoon niet overleefd. Die hoorde ik nu al zachtjes piepen: “Tessa, ‘k heb bang…”. Jammer genoeg zijn de hevige exemplaren pas te zien in Juli en Augustus, niet dat ik levensmoe ben of Val een hartaanval wil zien krijgen, maar dat moet toch echt ongelooflijk zijn om zien…

Die namiddag zetten we ons gewoon op het strand. Katrien en Valerie gingen wat volleyballen, terwijl ik passief mijn neus in mijn boek hield. Na verloop van tijd, keek ik op en waren Katrien en Valerie verdriedubbeld en opgesplitst in twee teams. Te verwachten dat ze niet lang onopgemerkt zouden blijven, maar toch won de curiositeit en ging ik op verkenning. Twee jongens aan ieders zijde waren er bijgekomen; en nog van aangenaam gezelschap ook. Uiteindelijk nam ik Valerie haar plaats in, die best blij leek te zijn met de verlossing. Dat werd dolle pret tussen de zelfverminkingen door. We hadden het heus naar ons zin, en hebben heel wat afgelachen. Pas toen het donker werd stopten we ermee, en al onmiddellijk werd er de vraag gesteld: “Morgen om hetzelfde uur?”

De volgende ochtend kroop ik met mijn door de volleybal blauwgeslagen onderarmen en een dikke pols op de bus naar Jipijapa. Op deze rit kreeg ik het gezelschap van Alejandro, een van de volleybaljongens. Hij studeert in Manta, en had een leuke babbel bij waarin ik mezelf heel gemakkelijk kon verliezen. Aangekomen, hielp hij mij op de bus naar Portoviejo, die dan rechtstreeks verder reed naar Canoa. Reizen langs de kustlijn is een onderneming van lange adem, maar diezelfde avond zat ik waar ik het liefste ben – al hangend op de straten van Canoa.

Maandag tot woensdag heb ik straathangend doorgebracht. Enkele intermezzo’s werden gebracht door maaltijden (de beste pizza in Surfshack, heerlijke fruitsla in Genesis,..), een blits bezoekje van Gabriel, en zoete invallen aan Posada de Daniel. Maar grotendeels van de tijd ben ik zoals iedereen te vinden op straat, in een of andere bizarre conversatie. De nachten werden daardoor best laat, en de ochtenden bracht ik al slapend door in mijn zandvrij bed. Het absolute ‘losgehen’ kwam pas echt tot zijn recht toen Ecuador 2-0 won van Argentinië! Hierbij vreesde ik echt beroep te moeten doen op mijn laatste leven, maar gelukkig was ik op tijd uit de voeten. Op deze laatste avond in Canoa toen de tijd was aangebroken om afscheid te nemen besloot ik hier niet aan deel te nemen. Zo heb ik van vele mensen simpelweg geen afscheid genomen, en onze laatste onzinnige gesprekken gehouden als onze persoonlijke adieu aan elkaar; leek mij alleszins beter dan een kant en klare “Chao” of eender welke onzinnige nonsens dat dan ter ore was gevallen. Met Daniel heb ik in mijn laatste half uur een mooi gesprek gevoerd waarvan vele woorden mij een eeuwigheid zullen bijblijven. Met Luis ging het er dan weer gecompliceerder aan toe, maar dat kenmerkt ons dan weer op onze manier.

De laatste dagen in Quito vlogen voorbij alsof de tijd aan een of andere inhaalbeweging deed. Ondanks uren die voelden als minuten wegtikkend op een tijdbom, maakten we er het beste van. Katrien, Valerie en ik deden het laatste dat op ons verlanglijstje stond – dat wat binnen het mogelijke viel natuurlijk. Zo ontbeten we in El Cafecito, deden een terrasje op Plaza Foch (het Gringo-plein), aten thuis met onze kleine maar dierbare familie (waarbij we Marvin dwongen zijn talenten als chef-kok boven te halen – hij is nooit meer chinees als dan!), en genoten extra van de kleine dingen zoals een volgepropte keuken waar iedereen zijn functie heeft en het altijd übergezellig is, slapen onder reggaeton-vibes, en wakker worden wetende dat de zon schijnt en ze je tegemoet zal komen zodra je de buitendeur van de keuken opent…

Het afscheid in Quito was emotioneel, om het zachtjes uit te drukken. We hadden het zo lang mogelijk uitgesteld, en ongeveer 3kwartier later dan gepland belden we de taxi op en was de vaarwel aan alles en iedereen onvermijdelijk. Iedereen was aanwezig (van Simone, Ilona, Lisa, Junior, Anne, Marvin, Sander, Roos tot Maria) en daar alleen al was ik ontzettend dankbaar om. Bovendien was iedereen zo ongelooflijk aardig, in woorden en daden, dat ik echt het gevoel kreeg geliefd te zijn en gemist te worden. De knuffels en vooral de humor maakten de zware dobber tot iets luchtigs, haast vrolijks voor mij. De enige moment van zwakte viel toen ik na mijn laatste woorden aan Maria, en onze omhelzing, haar aankeek en tranen in haar ogen zag. Ik kreeg onmiddellijk een krop in mijn keel, waarbij ik me wijselijk omdraaide en de taxi instapte. Een laatste blik wierp ik op onze kleine familie, die elkaar vasthielden alsof ze vreesden dat alles nu uit elkaar viel. In Maria haar ogen zag ik de tranen steeds hoger opzwellen, zo kreeg ik het ook zwaarder te verduren maar eens ze uit het zicht waren, zakten de emoties en was ik blij er te zijn weggeraakt zonder één enkele traan, want die had de oorzaak geweest tot een waterval zonder einde. De enige verklaring hiertoe is dat het gewoon nooit voelde als afscheid…

Al 2weken terug in België en er gaat geen dag voorbij zonder dat ik aan hen denk. Ik denk dan aan Maria haar kleine, fijne postuur en haar oprechte, altijd vriendelijke zelf en haar vrolijke babbeltjes, aan de gewantrouwde en de vriendelijke kuiser, Maria haar mama met de hoge schelle stem die ons nooit anders aansprak dan met “Niñas”, Roos die ik nog steeds takken zie spotten die ze voorziet als krokodillen gewoon omdat ze zelden nadenkt voor ze iets zegt, Marvin met wie ik een onvermoeibare haat-liefde relatie heb maar die ik, net als Roos, simpelweg adoreer, Anne & Junior die overduidelijk goed bij elkaar passen, José (soepel zoals een elastiek) die overal torenhoog uit de grond lijkt te spruiten of dit nu in Canoa of Quito is, Willy waarmee het steeds “casi perfecto” gaat, Hugo (met zijn eifeltoren-look-a-like tattoo op zijn rug, lijkt iets gevoeliger als zijn broeders) met wie ik een goede verstandhouding heb op basis van blikken en niet woorden, Angel die me als eerste en laatste een Sanahoria noemt, Marvin & Vinicio die pogingen ondernemen mij hun Spaans te onderwijzen (the compromising question), Daniel (een van de positiefste en meest charismatische mensen die ik ken) die eeuwig, altijd en met iedereen aan de praat is, onbezonnen Luis die altijd een zonnebril en pet draagt tenzij in mijn gezelschap, die als een politieker de oren van je hoofd praat maar uiteindelijk geen zinnig woord zegt, die uitbundig en kinderlijk luidop lacht wanneer ik zijn ‘cosquias’ vind (tener cosquias = wnn iets kietelt), die mokt als een klein kind om de meest absurde redenen, mij helemaal gek draait en de wereld mooier maakt – alleen maar door zijn eigen vreemde zelf te zijn.

Ondertussen hebben de eeuwenlange gewoontes mij al terug te grazen. In de afgelopen maanden lijkt er in ons klein apenland ook niet veel veranderd te zijn; buiten dat na 3jaar mijn straat eindelijk terug in het bezit is van een laag asfalt. De afgelopen 4maanden ben ik zelf geconfronteerd geweest met enorme verschillen in mentaliteit en rijkdom; hierdoor besef ik o.a. dat mijn kamer volgepropt is met de meest nutteloze rommel en dat wij, als Europezen, ons werkelijk doodwerken in vergelijking met hen. Allemaal niet de gemakkelijkste conclusies, zeker niet nu dat ik – als arme straatloper – gedwongen word mezelf terug aan te passen aan het westers werktempo. Gelukkig gaat mijn werk, in Metropolis, gepaard met heel wat humor. Zo hebben we nog steeds groot en klein die de foyer en zalen terroriseren met popcorn of eender welk plakkerig snoepgoed waar ze hun handen maar aan kunnen krijgen, het gezeur om dingen die zogenaamd belangrijk zijn, eindeloze vragen die je niet voor mogelijk houdt, de rollers die hen fascineren die niet weten dat ze maar zelden werken en de ene klant die minachtend tegen de ander mompelt “op een dag vind je de job van je leven” en daarbij denkt dat we ze niet horen. Ondanks de grote veranderingen in decor en de moderne verpakking, ontdekte ik al gauw dat binnen de muren van dit complex alles nog steeds zijn gewone gangetje gaat. Welkom thuis!

Dat mijn lichaam zich hier begeeft, daar twijfelt geen kat aan, maar waar mijn hart zich begeeft – daar ben ik in alle eerlijkheid zelf nog niet uit. In stilte neem ik nog steeds afscheid. Ik neem afscheid van het leven dat ik daar had opgebouwd, en waarnaar ik nooit meer kan terugkeren. Alleen maar in gedachten en mooie herinneringen. Maar anderzijds kijk ik uit naar alle andere avonturen in ’t verschiet; avonturen à la James Bond: “I’ll be back!”

donderdag 4 juni 2009

The Hunger (in the Amazon)

Lookbroodjes, champignonekes met lookboter, bruchetta, camembert, salade, krokketjes, satés en uiteraard voldoende wijn, bier & cola. Met een heus feestmaaltijd op tafel zat de sfeer er vrijdagavond goed in. We stonken een uur in de wind van de goed uitgeruste lookboter, plaagden elkaar mateloos, de jongens kwamen tot de conclusie dat mijn “bitter” leek op Pieter en voor ik het wist werd ik door Marvin op brutale wijze blauw geslagen. Een doordeweekse avond zou je bijna zeggen, maar dat was het niet want die avond lieten we het bruisend leven van Quito achter voor de rust van de jungle.

Cuyabeno wildlife reserve – dat werd ons toevluchtsoord. Eerst moesten we de bus nemen naar Lago Agrio, ongeveer 7à8 uur verwijderd van Quito, dan werden we na enkele uurtjes opgehaald door een busje die ons na een ritje van 3 uur afzette aan een lodge waar de kano ons na 3à4 uur zou afzetten aan bestemming.



Een hele reis dus. Tijdens die uitgebreide tocht zagen we best al wat merkwaardige dingen; zoals een volledig uitgehongerde man die met zijn uitstekende botten liep zoals een hond en een zogezegde “echte” hond die je enkel kan omschrijven als een otterhond. Door al zijn onnatuurlijk gekrijs (en vreemd uiterlijk) werd al onze aandacht en bezorgdheid naar hem toegetrokken, tót we een ander vreemd beest spotte; een uil met aapkenmerken. Een hele freakshow; welkom tot het amazonewoud ?!

Onze lodge, gelegen bij de Big Lagoon, zag er best netjes uit. Allemaal wat back to basics; de beperkte elektriciteit werd voorzien door de zonnepanelen, het licht door talloze kaarsen, en het douchewater werd rechtstreeks uit de rivier gepompt.
We sliepen met z’n vijven in één cabiña, die twee kamers had. Beide kamers waren voorzien van comfortabele bedden met muggennetten en we hadden ieder onze eigen badkamer. Vooral bedtijd was een spannende periode wanneer alles werd nagekeken op ongedierte. Zo heeft Marvin het gepresteerd zijn bed vol te krijgen met mieren, Roos om – na een bezoek aan de wc - een kikker op haar bil te krijgen, en Valerie die had vals alarm wanneer ze het kot bijeen gilde bij het spotten van het beestje op de dop van haar insectenrepellent …

We werden ook duidelijk aangewezen om te zwemmen in de grote rivier, aan de zijkant van de lodge. Hier was er sprake van een goeie stroming en bijgevolg geen last van ongewenste bezoekers die zouden kunnen consumeren als buitengewoon middagsnackje. De rivier aan de voorkant van ons verblijf werd afgeraden mits het de verblijfplaats zou zijn van een aantal kaaimannen. Later die avond zette Paula, onze gids, haar verhaal wat kracht bij. Op de aanlegsteiger zetten we ons allen samen om kaaimannen te lokken. Het enige geluid dat we in de stilte van de nacht konden horen was Paula die beatboxgeluiden produceerde om de roep van babykaaimannen na te bootsen. Best succesvol, want we zagen in de zee van zwart – met behulp van de zaklamp - heel wat reflecterende oogjes. En ondanks hun enorm traag en voorzichtig voorbewegen kon je het water langs hun lichaam horen wegtrekken. Brrr, middagmaal of avondmaal; mij niet gezien in die rivier, dat stond als een paal boven water!

Onze eerste echte dag in “La Selva” die brachten we door in de kano, met het spotten van het wildlife. Kleurrijke fladderende vlinders. Papegaaien die zich volproppen aan klei. Schildpadjes die sloom dobberen in de ochtendzon. De grijze rivierdolfijn die naar adem kwam happen, en water naar boven spoot. Adelaars die gieren bleken te zijn. Toekans die je gauw herkende aan hun aparte vleugelslag. Slingerende vrolijke apen; waaronder de squirelmonkeys, capuchinomonkeys, en de howlermonkeys. Indrukwekkend om zien. Je kan je echt eeuwig bezighouden met het spotten van natuurs prachtexemplaren.

In het namiddagzonnetje gingen we op missie: pirañas vissen! Ik vond het allemaal best spannend, na alle horrorverhalen over deze mensvretende vis… Maar al gauw werd ik gerustgesteld door de anderen, zo blijkt dat piranha’s enkel aanvallen in groep, wanneer er grote hoeveelheid bloed aan te pas komt én ze moeten hongerig zijn. Niets te vrezen dus… Ja, dat gevoel was plots spoorloos bij het zien van mijn hengel: een miezerig stukje kurk met daaraan vislijn, een haak en een stukje vlees. Roos naast mij kreeg een iets moderne versie; een stok met alles erop en eraan. Ik zag het al helemaal voor mij; hoe ze een vis zou vangen, met een heuse snok het uit het water zou trekken en het beest zich als een vampier in mijn nek zou vastklampen. Maar gelukkig – voor mij - ving ze een andere – niet levensbedreigende – vis! Verder werd er één piranha en een catfish gevangen, maar jammer genoeg niet door iemand van ons. En Valerie heeft nochtans vissermanbloed, dus wat haar excuus moge weze…?

Nee, het vangen van gevaarlijke diersoorten was nog niet voorbij! Die avond gingen we op tocht in de kano – om kaaimannen te vangen. Inderdaad, wat een gekte! Onze gids Paula en de natuurspecialist Daniel zagen er niet bepaald levensmoe uit, dus besloot ik mijn vertrouwen in hun te stellen. We toerden de laguna wat rond, en spotten verschillende kaaimannen – vooral in doodse stilte en van op afstand. Zo waren de meeste te groot om zelfs nog maar te dromen van een vangst. Maar ééntje op het land konden we erg goed zien en was het perfecte formaat, maar bij het naderen was ie al gauw verdwenen. Verdwenen… in het water … onder ons… Niet bepaald het gerustgesteld gevoel waar ik op gehoopt had !

Maandag stond er de Siona Community op de planning. Iets waar de meeste onder ons een beetje hun neus voor ophaalden, mits die rondleidingen soms nogal aan de slaapverwekkende kant durven zijn. Maar zoals bij echte kindertjes kostte het maar een beetje omkopen en we zaten op het puntje van onze stoel om te vertrekken. En àl wat daarvoor nodig was, was het codewoord: “chocolade”. De oplossing voor alles, laten we eerlijk zijn…

De community, gelegen aan de playas de Cuyabeno, was niet erg groot maar had wel ±200 kinderen onder zijn daken wonen. Tegenwoordig is de gewoonte daar dat iedere moeder ongeveer 7à8 kinderen koopt, terwijl de aantallen vroeger rond 15kinderen per moeder zaten (auwch!). De gemeenschap beschikt over een eigen schooltje, dat klaslokalen heeft waarin één leerkracht aan 2 verschillende jaren lesgegeeft. Oorspronkelijk werd er Quichua gepraat, maar nu is dat gelukkig veranderd naar Spaans zodat de kinderen, indien ze dit wensen, daarna verder kunnen naar de universiteit. Het waren alleszins de schattigste exemplaren - zeker met hun schooluniformpje aan. We hebben eventjes voetbal gespeeld met hen, en daarna het terrein wat gaan verkennen. Best nog een leuke rondleiding. Ze hielden er o.a. een klein vijvertje met schildpadden; dit omdat ze in het verleden zoveel van die beestjes opgepeuzeld hadden dat ze ze met uitsterven bedreigd hadden. Nu leveren ze hun bijdrage door er zelf te kweken en weer vrij te laten, zodat de aantallen weer wat bijgespekt geraken.

Na onze uitgebreide inslag op het winkeltje, vertrokken we terug naar onze lodge. Waar ik – hoogstwaarschijnlijk door mijn sugarrush – onhoudbaar enthousiast was om Marvin het water in te duwen. De arme jongen stemde nogal gauw toe en ik was in mijn nopjes. Op een of andere typische manier was mijn zwembroekje in Quito achtergebleven, en moest ik het stellen met een short – uiterst elegant. Maar mijn vrolijkheid was niet te temmen; zo huppelden we monter naar de aanlegsteiger en met heel wat gedoe, waarbij ik vreesde zélf in het water te belanden, duwde uiteindelijk Roos Marvin het water in. En dan heb ik nóg het onderspit mogen delven; nogmaals: mannen zijn onlogische wezens! Zo werd ik wederom volledig mishandeld en gedwongen om ‘samen’ het water in te springen. Zelfs mijn korte hysterische episode bracht hem niet van zijn idee af … Nu zou je denken dat nadat ik hem – na veel gegil en tegenspartelen - zijn zin had gegeven, dat hij zich tevreden van de strijd zou terugtrekken. Maar nee hoor. Ik had mijn hoogsteigen kano gevonden, die vasthing (niet “hong” – dank u) aan de aanlegsteiger, en was de mooiste kano die ik ooit in mijn leven gezien had. Mezelf volledig verloren in kinderlijke vreugde wiebelde ik heen en weer, klaar om te vertrekken naar mijn eigen sprookjeswereld. Tót Marvin op beulerige wijze aan alle pret een einde maakte, door mijn kano te doen zinken…! Altijd al geweten; konijnenmoordenaars; het is een apart soort!

Na talloze pogingen om de kano terug tot leven te wekken, moesten we haar opgeven en ons gaan klaarmaken voor onze jungletocht. We waren allen een beetje hyperactief en spotten zo vooral takken en bolletjes die we respectievelijk zagen als slangen en spinnen. Wél zagen we een kleurrijke kever, en een spinnenhuid die de voormalige bewoner had achtergelaten wegens uitbreidingen! Onze natuurgids had heel wat trucjes bij om het gebrek aan oerwouddieren te compenseren; zo maakte hij van verscheidende planten een rugzak, een val, en een gedeelte van een dak! Een echte handyman zeg maar. Onze gids beloofde ons wel dat we op het einde van de wandeling hun gevangen tarántula konden bezoeken. Aangekomen aan onze lodge was het mij al volledig ontgaan, tot we op enkele meters van het restaurant stopte bij een klein bananenplantje, en effectief op de stam van de plant zat een kanjer van een tarántula. Waar ze op de geruststellende term “gevangen” kwamen, mag Joost weten, want het beest was zo vrij als een bachelor… maar gelukkig niet dódelijk giftig. Wat ’n verademing, mh?!

Die avond spendeerden we in alle rust, in hoeverre dat natuurlijk mogelijk is met alle oerwoudgeluiden en een potentiële moordzuchtige tarántula om je heen. Zo hebben we een hele tijd naar de sterrenhemel gekeken, in pure adoratie. Ongelooflijk helder, en adembenemend mooi. Ik zou er een eeuwigheid naar kunnen kijken, zo mysterieus én romantisch! Verder hebben we nog kaartspelletjes gespeeld, maar voornamelijk onze tijd benut met het praten over eten… onze gezamenlijke passie die abnormale proporties aannam! 80% van onze gesprekken gingen over lekkers, en vooral lekkers dat we daar hoopten te krijgen. Zo kregen we Marvin bijna zover om een kakkerlak naar binnen te werken… maar die perste ons zodanig af dat we niet konden toegeven aan zijn eisen. Niettemin zorgde Roos en ik nog voor uiterst origineel theater; een ganse kakofonie. Plots zat er zo’n goor beest op mijn rug - zonder dat ik het doorhad - waardoor ik onbewust moest krabben en het verdomde ding op mijn vinger kroop en ik het uit pure reflex de kamer door katapulteerde – recht op Roos. Wel, ik kan je verzekeren dat ik breakdansers minder druk heb zien wiebelen als haar, geniaal! Good times!

Onze laatste jungledag was er een van kaliber! We gingen weer op trot en deze keer was er heel wat te beleven… Zo zagen we deze keer echte spinnen, en slingerden de apen boven ons hoofd heen en weer. Er waren gigantische bomen, waarbij de sjamanen geloven dat ze bewoond worden door geesten. Deze geesten weten alles over plantenkunde, en worden geraadpleegd door de sjamanen wanneer nodig. Dit bezoekje wordt gesubsidieerd door een drug die zo sterk is dat ze zelfs de moeder van cocaïne genoemd wordt – niet verkrijgbaar bij de apotheker dus! Wij hielden het wat heilzamer en beperkten ons tot het opeten van mieren – heerlijk. Jawel inderdaad, heerlijk, ze smaakten naar limoen en ik kon er wel een dozijn van op. Marvin, Roos en Katrien zagen het groot en aten daarbovenop nog een kokos-worm; een wit, geribbeld, levende worm waarbij je het hoofd hoorde kraken bij het verbrijzelen en – zo schijnt – bij de eerste kauw ook alle levenssappen uit het beest spoot. Niettemin werd het omschreven als: slijmerig maar smakelijk. We hadden allen de smaak goed te pakken, want bij elk mogelijk besje of beestje stelden we dezelfde vraag (vrijwel in koor): “Can we eat it?”

De insecten zijn niet altijd gemakkelijk te spotten, maar bij toeval ontdekte ik een wandelende tak. In het middelbaar had ik zelf wandelende takken als huisdier, en nog steeds vind ik ze fascinerend. Het zat daar dan, groot en bizar te wezen, hoogstwaarschijnlijk diep verzonken in gedachten – over wat op de menu stond die avond (want iedereen denkt aan eten in de jungle). Plots zie ik Roos haar hand naar het insect reiken en voor we het beiden goed beseffen nam het beest een gigantische sprong – tot op haar schouder. Waardoor Roos plots in het rond begon te dansen, als een hyperactieve ballerina met een gezicht vol pure doodsangst. Ik dacht dat ik mijn broek ging plassen van het lachen, onbetaalbaar entertainment! Lang leve Roos! Maar later die namiddag zorgde Marvin voor het kroonstuk. We moesten – avonturiers dat we zijn – een rivier oversteken over een boomstronk. De boomstronk krioelde van de mieren en het mos; proberen beide te ontwijken was onmogelijk. Aan de zijkant hadden we een niet stabiele leunbalk gekregen, om te helpen het evenwicht te bewaren. Het was een ware opgave en vooral een moedige onderneming om aan de overkant te geraken, maar wat moet – moet ! De twee gidsen, Katrien en ik bereikten zonder problemen de overkant, maar dàn was het de beurt aan Marvin (bless his soul). Hij had al een gigantische pechdag, en had geweigerd af te kloppen voor hij de boomstronk betrad. Alles verliep prima, tot de laatste meter, hij leunde iets te hard op de balk, waardoor die in elkaar stortte. Marvin gleed uit, en hing zoals een echte stuntman met één arm aan de boomstronk. Tot zijn supermankrachten verdwenen als sneeuz in de zon en hij na enkele seconden met een luide plons in de oranjekleurige smurrie belandde. Daar spotte hij een nieuwe boomstam om even op uit te rusten, maar ook deze kende geen genade en brak na welgeteld één minuut in twee, waardoor we allen dubbel lagen van het lachen. Now thàt is what I call : entertainment!

Na heel wat plagerij en na-schaterbuien, waren we klaar voor onze kanotochtje naar The Tower. Onderweg gingen we – op eigen verzoek – een tweede poging doen tot piranha’s vissen, misschien hadden ze vandaag wel zin in Marvin? Met zijn geluk die dag was hij immers ideaal aas. We sloegen ergens in, en onmiddellijk werd de motor afgezet. Onze gids werd muisstil, en al gauw durfden we amper bewegen. Ze sprak ons in zachte stem toe. Op 3 moesten we allen luid “March!” roepen. Nieuwsgierig keken we elkaar aan en op 3 gehoorzaamden we en galmden er een indrukwekkend commando uit. Plots hoorde we in de verte het marcheren van … brulapen? We keken vanuit ons baaitje naar de verre overkant, het bos in. Wauw… zeker wanneer onze gids ons informeerde dat het enkel wespen waren die dit geluid produceerden. Marching wasps, die bij bedreigingen allen samen marcheren om zo de indringer te verwittigen dat ze met veel zijn. Enkele seconden later was er al een scout op pad, die kwam verkennen. Stokstijf zat ik, want mijn angst voor wespen kan op zijn minst panisch genoemd worden… en een aanval ondergaan van wespen met schoenmaat 44 stond bijgevolg niet direct op mijn to-do-lijstje!

Gelukkig voor mijn mentale gezondheid waren we snel vertrokken, en verhuisden we naar een plekje om voor piranha’s te vissen. Hier leken ze inderdaad vrij hongerig te zijn en al gauw viste onze natuurgids eentje uit het water – zo lieten we het beestje de ronde gaan door de boot (gepaard met gewapper, gegil en Néé-getier van Valerie) voor het weer vrij te laten in het water. De tanden van deze bloeddorstige vis knapten luid op elkaar, en bezorgden mij rillingen van kop tot teen. Vlijmscherp en levensgevaarlijk leken ze,en het beest was amper de grootte van mijn hand. Enkele minuten na de vrijlating van het monster, werd er wild aan mijn hengel getrokken, en werd iedereen een beetje gek bij het zicht van een middelmatige piranha aan het uiteinde! Ik haalde hem voorzichtig en op afstand uit het water – en keek triomfantelijk naar onze gids “Es posible comer?”

En jawel, de vis was groot genoeg om te eten, en belandde die avond op ons bord ! Hij smaakte een beetje zout maar was eigenlijk goed te eten… Pure trotsheid dat mijn overvloed aan mannelijke hormonen me eindelijk iets productief had opgeleverd: zoals een “echte vent” had ik voor eten gezorgd die avond... planten plukken ha, who needs men?!

donderdag 28 mei 2009

Who's your Daddy?

De laatste week in Quito is ingegaan! Aaargh, de klok lijkt wel een tijbom en net zoals de krokodil bij Peter Pan voel ik elke seconde door mijn lijf trillen: “Tik Tak Tik Tak...”

Quito, onze thuisbasis gedurende 4 maanden, laten we binnenkort achter voor nieuwe avonturen. Dit weekend vertrekken we naar het amazonewoud, om daar de stuipen op het lijf gejaagd te krijgen door wezens die ongeveer 1duizendste kleiner zijn dan mezelf. Vervolgens hebben we nog één relaxdagje in Quito en een dagje mountainbiking op de flanken van de Cotopaxi vulkaan; en ik maak – tot mijn eigen ontzetting - geen grapje. Diezelfde nacht vertrekken we door naar de kust, om onze laatste dagen ontspannen en zonnig door te brengen. Mijn Ecuador-avontuur is nog niet ten einde zeg maar!

Thuis is het de laatste weken best gezellig. Het lijkt wel een ganse talentenzoektocht, zo vinden we allemaal wel een talent waarin we Marvin kunnen verslaan. Roos is een kampioen in tafeltennis, Anne een mazelpik in kaartspelletjes, Katrien kan best een potje bowlen, Valerie wint bij de Kolonisten, en ik hou wel van wat concurrentie bij Jungle Speed. Zo hebben we de laatste tijd véél spelletjes gespeeld, overvloedig veel lekker eten gemaakt, films gekeken, gaan kaasfonduen, gaan bowlen, BBQen in het park, een slagroomgevecht gehouden, ... Allemaal piekfijn – onze kleine familie van 3 Belgen en 3 Nederlanders, met regelmatig wat volk over de vloer! Natuurlijk mogen we Maria niet vergeten, zij is onze 35jarige huisbazin. Ze ziet er amper 30jaar uit, heeft het figuur van een model, en is enorm jong van geest. Zo heeft ze onlangs het ingenieus idee gekregen strippers uit te nodigen in huis, en een heus feestje te bouwen. Zij die hopen dat ze dit niet meent, zouden zich wel eens erg kunnen mispakken want voor een goed feestje is ze immers altijd te vinden. Met haar wat uitdagende kledij staat ze alles te geven op de dansvloer – tot ze erbij neervalt zeg maar.

Na vermoeiende weekenden is de aankomst bij ons thuis “Ecuador Mágico” (de échte naam van Maria Ordoñez House) altijd zoals een echte thuiskomst. De kasten zijn volgepropt met lekkers en mijn bed staat netjes opgedekt te lonken (tenzij ik het zelf heb opgemaakt). Samenwonen met Maria, Anne en Katrien op de gelijkvloers heeft zo zijn voordelen; we hebben een eigen keuken, woonkamer, douche en 2wc's. Roos en Valerie wonen op de eerste verdieping, en Marvin woont in ons voormalig “vochtkot”. Zo heeft ieder zijn stekje, zijn rommel en vooral zijn gewoonten. Dat Roos gigantische potten Nesquick verslind, Marvin zich niet kan bedwingen Samson-Vlaams te spreken, Valerie veranderd in Gillerie, Katrien op de hoogte is van hoe, wat, waar en wanneer is; dat is hier de normale gang van zaken. Dat er nu eenmaal geen geheimen zijn in zo'n kleine familie als onze, dat is sommige al zuur opgebroken. Maar konijnenafslachtingen ter zijde, zijn we allemaal flink binnen de perken gebleven. Zo spreek ik voor iedereen wanneer ik zeg dat we allemaal de tijd van ons leven hebben (oké, buiten die konijnen dan..)!

Zo zijn er ook veel dingen die ik zal missen aan het o zo levendige Quito. De alledaagse gekte van bitchfights in het internetcafé, schoenpoetsers die teenslippers willen kuisen, het avontuur van een straat over te steken, de eenvoudigheid van eenrichtingsverkeer, de electriciteitsdraden die als een ongeordend bundeltje “bij elkaar” hangen, de level 4 straten, de dvd’s voor $1.5 die om de 5winkels te vinden zijn, de bussen die zwarte rook uittuffen als er gas wordt gegeven, de taxi’s die enkel aanwezig zijn wanneer je ze niet nodig hebt, ontbijt in de zon, de hoop op geen regenbui in de namiddag, onze sportsessie naar Supermaxi elke maandag, de uitdaging (en geduld) om onze douche warm te krijgen, het koken aan bandwerk voor een ganse groep, Maria die ons altijd haar “girlies” noemt en een obsessie heeft voor chocolade, Vinicio vragen om hulp bij eender welk probleem (die kan immers alles), Valerie haar smetvrees observeren terwijl ze haar glas nauwkeurig onder handen neemt, slapen met de Ecuadoriaanse hits die door de kamer trillen, de eigenzinnige oven hanteren, glimlachen bij het zicht van Katrien haar douchekapsel, de bezoekjes aan Cheap, White en Sleeping lady, het aanhoren van de onbegrijpelijke monoloog van Norma de wasseretevrouw, de ijlenlange rij bij de discotheken op vrijdagmiddag, en zo kan ik nog wel eeuwen doorgaan, want Quito is buitengewoon thuis!

Ja, liefste Quito, Maria, zusjes en broertje, ik zal ons thuis erg missen en váák aan de goeie tijden terugdenken, maar voor nu: vive las fiestas en Quito!

¡Besito fuerte!

dinsdag 12 mei 2009

Iwarrrrra*

Na veel discussie zijn we tot een soort consensus gekomen: nog een viertal weken en we vertrekken terug naar België. Tijd voor souvenirshoppen dus. Zoals echte gringo's wisten we onmiddellijk waar zijn: Otavalo! Onze onderhandelkunsten werden gauw genoeg op de proef gesteld, en ik ben tot de conclusie gekomen dat constant hetzelfde getal herhalen zijn effect heeft. Handig, want in herhaling vallen is nu net een uitzonderlijk gave waar de Heer mij mee gezegend heeft. Af en toe ging het er wat steviger aantoe, maar de dappersten zijn de Belgen, en met een ganse buit zijn we er vandoor gegaan!

Die avond namen we de bus naar Ibarra, een dorpje ten noorden van het land. Het busje zat volgestouwd met mensen uit omliggende dorpen, en die waren allen gekleed in traditionele kledij. Dat wij daarbij redelijk uit de toon vielen, was wel duidelijk. Onmiddellijk stond er een man recht om mij te laten zitten, redelijk genant eigenlijk want hij was een stuk ouder als mij. Goed opgevoed zoals ik ben, wou ik er niet veel van weten, maar veel tegenspraak dulden ze hier niet. Eens dat ik goed genesteld zat in mijn stoel (best een opgave met die talloze zakken), bleef het – tot mijn verbazing – nog steeds stil. Ik had me verwacht aan een gans kruisverhoor tot de nieuwsgierigheid van de ganse bus was uitgedoofd, maar die kwam niet.

Ongeveer halverwege de busrit belde Luis me op, en omdat ik hem al eventjes niet meer gesproken had werd het vrij lange en vrolijke conversatie. Vol enthousiame werkt een beetje zoals alcohol op zo’n momenten; je geeft niet direct om hoeveel fouten je maakt en wat voor onzinnige dingen je er wel niet uitslaat. Het was een fijne babbel en met een brede glimlach hing ik op. Met de gsm in de handen wierp ik mijn blik naar buiten; welgeteld één gelukzalige zucht lang, want uiteraard was het de jongen naast mij niet ontgaan dat de conversatie in het Spaans was gevoerd. Tóch mijn langverwacht kruisverhoor gekregen. Gelukkig had deze jongen zelf ook een verhaal, en kon ik genieten van mijn tweede aangenaam gesprek die avond. Aangekomen in Ibarra was ik best trots op mezelf; mijn Spaans had ik weer netjes geoefend, Carolina kon trots op me zijn!

Onze reisgids had ons geholpen een goed hostalletje eruit te pikken. Die avond gingen we nog iets drinken op een soort grote markt plein, waar ze alle klassiekers leken te draaien. Best een gezellige boel. Niet té laat ons bed in, want de volgende dag hadden we een trein te halen. Deze toeristische treinrit gaat van Ibarra naar Salinas, en trekt door prachtig landschap. Het is de minder bekende versie van “El nariz del diablo” die je terugvind in Riobamba. ’s Ochtends om half 8 stonden we klaar om onze ticketjes te innen aan de kassa. Helaas was de trein volledig uitverkocht, en werden we door een bewaker met nog een tiental andere mensen verplaatst naar de wachtruimte. Allemaal typisch Ecuadoriaans, want een echt systeem leek er nog niet te zijn ontworpen. We wachten een heel tijdje en maakten ondertussen kennis met een Amerikaan die in dezelfde hostal verbleef als ons, en net was aangekomen in Ecuador.

Toen we eindelijk uit de wachtkamer werden verlost, praatten we nog met een familie van ongeveer 9 mensen. Zij hadden met de ticketverkoper gepraat en er was een mogelijkheid om de bus te nemen tot aan Salinas en dan de treinrit terug te nemen. Ongelooflijk veel geluk hadden we, want er waren nog net 3 plaatjes vrijgekomen op de trein en die pikten wij natuurlijk gauw in. Achteraan deze in België gemaakte trein kon je in de frisse lucht genieten van al het moois om je heen. Af en toe maakte de trein dan eens een stop en dan kon je uitstappen, wat foto’s nemen of gewoon eventjes de beentjes strekken.

Ondanks mijn zogenaamde norse gelaatsuitdrukking, blijf ik zeer aanspreekbaar voor de medemens. Zo blijkt het toch. Wanneer Katrien en Valerie de bus verlieten, sprak een jongen me aan. Hij was samen met zijn 30 klasgenoten op schooluitstap; ze kwamen allen oorspronkelijk uit Riobamba, studeerden toerisme en zo vonden we al gauw wat om over te praten. Later kwamen twee vriendinnen van hem nog een praatje met me slaan; echt heel aardige meiden! De treinrit bracht ons langs prachtig dromerig landschap, een waterval, onder enkele tunnels, voorbij een ploegende boer en over een brug die een afgrond overbrugde van 128meter. Heel wat om gade te slaan dus!

Salinas, daar moesten we zien te geraken met deze Belgische hobbelbak. Deze Salinas valt absoluut niet doorheen te halen met Salinas van de Costa, dat terecht de Benidorm-look-a-like genoemd mag worden. Salinas in de Sierra was de tranquilidad zelve. Het was zondag en de helft van het dorp was leegelopen op de bankjes van het kleine parkje. In de kerk leek er enige activiteit te zijn, en heel wat kleintjes leken toch naar school te gaan (aan de zijkant van diezelfde kerk). Wat ons wel verbaasde, was het niet-Ecuadoriaanse uitzicht van de inwonders daar; het waren immers allemaal zwarten. Onze poging tot verklaren van dit verschijnsel bracht ons tot niet al te veel zinnigs, dus een echte verklaring kan ik er nog steeds niet aan geven. Het gaf het dorpje wel een Afrikaans tintje; luide ritmische muziek en de vrouwen die rondlopen met een goede wiebel in hun kont ... Het heeft zijn charme!

Onze rit terug was lekker ontspannend, toch na we ontsnapt waren aan de gekke familie die we die ochtend ontmoet hadden: de oma haar plaat was blijven hangen op “¡Baila! ¡Baila! “. Ze hadden alleszins geen gebrek aan sfeer!
In het oneindige staren en heerlijk dromen, dat was ik aan het doen toen de trein abrusk stopte. Ontsporing?! Jawel onze trein was ontspoort. Geen paniek; alle mannen werden verzameld en binnen de korste keren stonden ze allen naast elkaar de schade op te meten. Wat getimmer en wat gekrik, en natuurlijk een beetje geduld, meer was er niet nodig om weer aan de bol te gaan. Gelukkig dat de trein dat niet had besloten te doen op de 128meter hoge brug ...!

Alweer een weekend voorbij; “time flies when you are having fun!”. Als dat niet de waarheid is...

Muchos besitos
xxx


*Iwarrrrra is kustdialect voor Ibarra - kwestie om jullie in dezelfde status van verwardheid te krijgen als mij

dinsdag 5 mei 2009

Tripping in Guayaquil - Cuenca - Ingapirca

Zoals echte toeristen blijven we reizen, en gingen we door na de Galápagos eilanden. Met het vliegtuig landden we in Guayaquil, de grootste (en gevaarlijkste) stad van Ecuador, en tevens ook onze eerste bestemming. Die avond besloot ik wat te rusten; ik voelde me niet zo heel lekker en wou de komende dagen fit starten. We hadden immers veel op de planning...

Eén dag hadden we ingecalculeerd om “Guayaquils finest” te gaan bekijken. Las Peñas stond daarbij op nummer 1. Een wijk bestaande uit gekleurde huisjes, waarbij er bovenaan een kerk staat met een verbluffend uitzicht over de hele stad. Heus de moeite, maar in de ondraagbare hitte waren de 444treden een hele klus. Het bewegen van schaduw naar schaduw begon meer te lijken op het beoefenen van een complexe sport, maar was voor ons eigenlijk maar een flauwe en weinig succesvolle poging tot overleven. Nadat we genoeg afgezien hadden besloten we te wandelen in wat koelere oorden: een shoppingmall mét airconditioning! Daar maar wat rondgeslenterd tot we weer wat op normale lichaamstemperatuur waren en onszelf begeven naar de begraafplaats van Guayaquil. Niet dat we de strijd hadden opgegeven, maar de graven bleken iets zeer impressionant te zijn! Sommige graven waren (letterlijk) hele kerken, gebouwd voor één persoon of een ganse familie. Best indrukwekkend om te zien...

In de late namiddag vertrokken we naar wat de mooiste stad van Ecuador hoort te zijn: Cuenca! De busrit van 4 uur duurde uiteindelijk 5,5uur en was voor mij een ware hel. Beperkte ruimte, buikkrampen, honger maar niet durven eten, vreemde en wazige dromen door de koorts en constante rillingen die mij van extreem warm naar huiverend koud brachten. Niet mijn beste ervaring. Aangekomen in Cuenca konden we gelukkig onmiddellijk naar onze prachtige hostal, want Lisa en Roos hadden die al geboekt voor ons! Om de schade te beperken was ik onmiddellijk mijn bed in gekropen, maar de volgende dag bleek ik nog steeds niet de oude te zijn. Ik voelde me enorm afwezig en meer verwant met een geestelijke zieke dan een inwoner van deze wereld, en mijn angstvallige zoektochten naar een wc maakten mij niet bepaald het beste gezelschap. Dus terwijl Roberto, Roos, Lisa, Katrien en Valerie de stad gingen verkennen, bleef ik bedlegerig. Die avond werd ik verplicht de dokter te laten komen. Na een kwartier stond er een vriendelijke man naast mijn bed, hij praatte vlot Engels en leek werkelijk in het bezit te zijn van een of ander geneeskundig diploma. Mijn angst voor het bezoek van een sjamaan was geweken. Heuze slaapaanvallen, 39° koorts, beperkte eetlust, pijnlijke buikkrampen, en abnormale diaree; allemaal het trotse werk van een bacterie. Enkele kanjers van pillen, de opdracht terug te eten, genoeg te drinken, en op een zuivelvrij dieet zonder rauwkost te gaan, en ik zou de strijd gauw winnen!

De liefste en beste dokter ter wereld had gelijk; de volgende dag was ik alweer op pad. Mijn disoriëntatie beperkte zich tot normale proporties, en daardoor heb ik toch nog enkele straten van Cuenca kunnen bezichtigen. Terwijl ik op bewonderingswaardige wijze de o zo bekende kathedraal van Cuenca heb weten te ontwijken de ganse dag, waren mijn meisjes op wandel in Cajas NP. Iets dat ik - uiteraard – graag had meegedaan, maar me niet fit genoeg voor voelde. Maar onze hostal was in het bezit van een schattig tuintje met een mooi plakje groen gras en in elke straat vond ik wel een kerk; het voelde eigenlijk een beetje zoals thuis. En dankzij Valerie en Katrien heb ik die dag tóch nog de kathedraal kunnen zien... en inderdaad, ernaast zien was haast onmogelijk, maar zoals je weet, in Ecuador is dan weer alles mogelijk!

Onze laatste dag schonken we aan Ingapirca; de grootste Incaruïnesite van Ecuador. Katrien, Valerie en ik namen de bus naar El Tambo, dat vlakbij lag. De bus was (buiten onszelf) volledig gringo-vrij en dat maakte ons best een attractie. We kwamen dankzij de veelvuldig aangeboden hulp op de juiste plaats terecht, en na 5minuutjes bergopwaarts kwamen we aan. De site van Ingapirca, dat Inca-muur betekent in Quechua, is niet om over naar huis te schrijven. Het is niet speciaal groot, indrukwekkend, of complex in elkaar gestoken, en toch blijven die Inca’s verbazen. De stenen werden zo geslepen dat ze perfect in elkaar passen, de zonnetempel kan gebruikt worden als observatiecentrum, de zon valt perfect in bij zonnewende en het ganse gebouw lijkt op een fort dat al eerder militair gebruik gekend heeft. Met een beetje kennis wordt het best nog spectaculair!

Zo, dat was mijn onbewogen vervolg van de Galápagosreis. Dankzij mijn herwonnen gezondheid, ben ik weer helemaal klaar voor de volgende avonturen. Die niet lang op zich zullen laten wachten... Het is hier immers Ecuador!

¡ Besitos y hasta pronto !

donderdag 30 april 2009

¡ No hay lugar como Galápagos !

In Ecuador ben ik als een kat met 9 levens. Tot die conclusie ben ik gekomen na mijn zoveelste bijna-dood-ervaring. Om een of andere onverklaarbare reden heb ik het donkere en onbewuste plan om hier te sterven, zo lijkt het toch. Mijn negen levens benut ik hier ten volle, misschien vandaar dat ik het gevoel heb dat ik hier al meer geleefd heb dan in mijn 22jarig Belgisch bestaan.

Een druk, gevuld en geweldig leven leid ik hier in Ecuador. Een 24 uur recupe kreeg ik na mijn verlengd weekendje kust, en dan was het tijd om op het vliegtuig te stappen. Bestemming: Galápagos eilanden. Ik had er zin in, zoveel was duidelijk. De vlucht verliep vlotjes, en tijdens onze stop in Guayaquil zaten we allen op het puntje van onze stoel tot we Samantha in de verte zagen opstappen. In San Cristobal was het een overgelukkig weerzien. Door al ons gegil, schel gekwekkel en overenthousiasme waren we de laatste op de bus. Onze groep bestond uit 17 mensen; waarvan 6 Belgen (Valerie, Katrien, Kathleen, Daniela, Pieter en ikzelf – niet toevallig allemaal bekenden), Julia uit Wales met haar ouders (Mmmyeah! Lush!), Samantha (ons Canadeesje, en alom bekend als mijn Ecuaodoriaanse zus vanwege de vele gelijkenissen), Paul in typisch toeristenoutfit die we kenden vanuit Yanapuma, de twee franstalige Canadezen met hun omverstaanbaar Frans dat niet zou mogen kwalificeren als deel van een wereldtaal, en dan nog de 4 feestvierende Israeliërs die – volgens mij - de coolste taal ter wereld spreken (Hebreeuws)! Voor 16 mensen wordt 1 gids voorzien, en met een totaal van 17 kregen wij er lekker twee! Ben was de gids met overvloedig veel boeiende informatie, terwijl Xavier als trouwe sidewinger instond voor de gekke bekken.

We begonnen onze tour op een vrij rustige wijze, met als eerste het interpretation center dat vooral geapprecieerd werd voor zijn koelte. De Galápagos eilanden hebben een immens warm klimaat, met 30graden als gemiddelde. Later hebben we nog een ganse wandeling gemaakt, met enkele prachtige uitzichtspunten en een Charles Darwin standbeeld (met immense handen) dat stond op de plaats van eerste aankomst. Een belangrijke levensles vond dan ook hier plaats; een mens heeft wel degelijk behoefte aan vocht en dat is geen kwestie van willen. Na ongeveer 30minuten stappen was ik compleet uitgedroogd en kon ik enkel nog maar lonken naar de fles water die de Canadezen onder ons bij hadden. Mijn geduld werd beloond, want na een uur kreeg ik eindelijk mijn hoogst persoonlijk flesje water te pakken. Mijn liefde voor water herontdekt.

Ons hotel op San Cristobal was een droom, de kamers waren gigantisch net zoals de douches en er was een overheerlijk zwembad dat de zon een ganse dag had opgewarmd. Die nacht had ik – zonder meer – machtig geslapen. De volgende dag stond er wat sport op de planning. Een wandelingetje naar een freshwater-craterlake, dat plots uit het niets bleek op te duiken. Het is de enige plaats op Galápagos waar de frigetbirds zich baden, vanwege hun lichte bouw mogen ze zich immers niet baden in zout water. Een wandelingetje rond het meer en dan was het tijd voor een mountainbike-tochtje. Ik hield mijn hart al vast, want een fiets en ik lijken haast natuurlijke vijanden. Helmpje op, remmen getest en met verse moed gingen we met zijn allen de baan op. Ze hadden ons ingelicht dat de ganse weg bergaf zou zijn, en daar keek ik naar uit. Eigenlijk vond ik het best nog prettig; een ferm vaartje naar beneden met de wind in de haren en genieten van het mooi uitzicht, daar kon ik wel mee leven. Dankzij mijn oplettendheid was ik ondertussen op losgekomen grind terecht gekomen en begon mijn fiets druk van links naar recht te schommelen. Vond ik iets minder leuk; misschien tijd om wat vaart te minderen. Maar uiteraard hoe meer ik remde, hoe meer mijn fiets zin kreeg om niet aan mijn wensen te gehoorzamen. Ondertussen was ik al niet meer op de weg aan het rijden, maar steeds meer richting struikgewas. Tijd om dringend snelheid te minderen, een iets forsere kneep op de remmen en het metalen monster smeet mij recht de bosbesstruiken in.

Zo ongelooflijk typisch mezelf; want ik weet dat ik niet mag fietsen. Een heus spektakel voor zij die achter mij kwamen, hoorde ik zo achteraf. “Wow girl, you went flying!”, om Julia te quoten. Mijn reisgenootjes die het geluk hadden mijn vlucht gezien te hebben besloten tegen mijn aanraden in om toch maar te stoppen. Ondanks mijn overtuiging dat alles in orde was, geraakte ik onmogelijk onder die fiets vanuit. Dan besloten mijn benen alle adrenaline te absorberen en te trillen alsof er net een aardbeving onder mij bevond. Met wat hulp ben ik rechtgeraakt, en moest ik onmiddellijk de auto instappen. De struiken hadden zich uitgeleefd; mijn arm, en vooral linkerbeen was volledig bedekt onder het bloed van de talloze modernistische schrammen.

Aangekomen op onze bestemming kreeg ik een hele opknapbeurt; waarbij ik doornvrij werd gemaakt. Plots zie ik Sam op mij afsnellen; ze was ook van haar fiets gevallen en had haar schouder over de asfalt geschuurd. We zagen er wel degelijk badass uit. Terwijl de rest naar het schildpaddenkweekcenter ging, werden Sam en ik naar het plaatselijk ziekenhuisje gebracht voor het uitkuisen van onze wonden. Het ziekenhuis bestond uit ongeveer 3 ruimtes, een waar een vrouw lag te sterven, een waar wij werden gemarteld en nog een ander die volgens mij gebruikt werd voor het opslaan van hun vervallen alcohol. Sam werd eerst onder handen genomen, en dan pas mocht ik de martelkamer binnengaan – vast zodat ik het gegil niet kon horen. De verpleegster was uiterst sereen en deinsde niet terug voor het ijverig uitschrobben van elke schram. Het meest pijnlijke werd nochtans de verwijdering van een doorn in mijn knokel. Die had zich volledig genesteld onder mijn vel, en had 3 verschillende pincetten nodig voor hij zijn strijd opgaf. Zo heb ik er achteraf nog 3 ontdekt in mijn pink, een aan de binnenkant van mijn hand,een aan mijn pols en een laatste in mijn bovenarm; stiekem heb ik toch plantenonderdelen kunnen uitvoeren uit Galápagos. Zoals ik al zei: badass!

Ondertussen zijn mijn schrammen netjes geheeld en heb ik nog wat ik met enige trots (en vooral verbeelding) mijn tijgerstrepen noem. Na verloop van tijd vormde er op mijn been nog een kanjer van een blauwe plek, die nu haast volledig weggetrokken is en met een beetje goede wil lijkt op een tattoe van The ring of fire. Zo vind je er geen twee hoor! Die namiddag ben ik nog twee maal gaan snorkelen, beide keren met een bang hartje bij het springen in zee, maar gelukkig pikten de wonden nog amper. De eerste snorkel, in Kicker Rock, was machtig! Kicker Rock is een gigantische rots die volledig in twee is gespleten,en in deze kloof zouden haaien te vinden zijn. Het is mogelijk om ze te zien zei Ben, maar echt overtuigd klonk hij niet.

Valerie en ik waren de laatste in het water, en zwommen op eigen tempo de groep achterna. Plots kijkt Valerie me aan met grote ogen en piept iets over een haai, waarbij ik begin te lachen. Jaja, “tuurlijk was er een haai” dacht ik bij mezelf, en daarenboven was haar gelaatsuitdrukking gewoon te grappig om serieus te kunnen blijven. Haar ogen werden groter, en ik moest onmiddellijk denken aan de grote boze wolf, waardoor ik nog net iets luider begon te lachen. Niet in dank afgenomen riep ze me nogmaals toe dat ze echt een haai zag. Ik had weinig zin om haar te geloven maar ze bleek wel vrij serieus te zijn. Ik kijk naar beneden en zag niks, dus haalde mijn schouders op en verklaarde haar stiekem voor gek. Paar seconden later keek ik nog eens door mijn snorkelbril en zag enkele meters onder ons een haai zwemmen. Nu was ik degene die piepte en haar reactie was er eentje vol angst – die ik volledig begreep. We waren met haaien aan het zwemmen, echt bangelijk!

De tweede snorkel was voor mij iets aangenamer, gezien ik niet elk commando van mijn overlevingsinstinct moest zien te onderdrukken. Lobos Island was een kleine baai dat stikte van de zeeleeuwen en mooie kleine kleurrijke visjes. Als je de zeeleeuwen op het land ziet, dan kan je je lach niet onderdrukken: ze lijken gewoon zo lomp, sloom en vooral onhandig. Ze kruipen, struikelen, manoevreren en mislukken, maar eens ze het water raken zijn ze ongelooflijk elegant, behendig en onvoorspelbaar snel. Ze zijn dol op spelen en zijn uiterst nieuwsgierig, zo zwemmen ze tot enkele centimeters van je neus en als ze genoeg gezien hebben zijn ze weer vertrokken. Hier hebben we ook voor de eerste keer een reuzewaterschildpad gezien, die lag wat te dutten op de bodem: indrukwekkend!

Die avond waren we allen voldaan; wat een ongelooflijk prachtige dingen dat we wel niet gezien hadden! Ik heb echt mijn ogen uitgekeken ... zo fantastisch allemaal ! Jammer genoeg kwam er die avond nieuws uit Quito die een aardige domper op de feestvreugde was. Toen Katrien mij riep met de telefoon in de hand, dacht ik voor een enkele seconde dat het Luis was die mij belde maar toen ik haar snuitje zag wist ik onmiddellijk dat er wat schorde. Roos belde van thuis om te vertellen dat er in het huis was binnengebroken, en dat onze kamer was leeggehaald. Koffers opengebroken; laptops meegenomen, $200 dollar van Katrien en mijn gsm weg. Die avond zijn we onmiddellijk onze kaarten gaan blokkeren, en vooral geprobeerd om de shock te verwerken. Was niet zo een goede dag om Tessa Frijters te zijn, dat stond als een paal boven water!

De volgende ochtend voelde ik mij eigenlijk nog het slechtste, en had wat tijd nodig om bij te draaien. Net zoals na mijn val was ik op een rare manier blij dat ik mijn ongeluk met iemand kon delen, dat iemand begreep hoe ik mij voelde. Door deze 3 maanden, en zeker in Galápagos, heb ik met Katrien en Sam het een en het ander meegemaakt. Wel, zoiets moet toch een band scheppen?! Op onze boottocht naar Floreana kreeg ik mijn absoluut dieptepunt; de benzine van de boot was mij immens misselijk aan het maken en ik stond op punt van extreem zeeziek te worden. Ik was ervan overtuigd dat ik een geelgroen kleurtje had gekregen, en de snel opvolgende boeren beloofden alleszins niet veel goeds. Tom, de grappige Israeliër, merkte mijn toestand op en gebiedde mij naast hem te komen zitten, in de frisse wind en mijn ogen op niets anders dan de horizon te houden.

In een waas hoorde ik iedereen enthousiast door elkaar roepen; wat over een dolfijn. Ondanks de geslonken misselijkheid durfde ik mijn ogen niet van de horizon ontnemen, ook al was ik zelf enorm nieuwsgierig! En dan - uit het niets - sprong er enkele meters verder een dolfijn uit het water. Ik staarde gewoon, met mijn mond open, ik moet de enige geweest zijn die hem gezien had. Op dat moment drong het tot mij door dat ik zo immens veel geluk heb gehad sinds mijn verblijf hier. De prachtige dingen die ik gezien heb, de geweldige plaatsen die ik bezocht heb, maar vooral: de ongelooflijke mensen die ik ontmoet heb – daar kon het brokje slecht nieuws nooit tegenop!

Onze boottocht naar Floreana was dus voor mij een ware “eyeopener”. Op Floreana zelf, een eilandje dat 200 mensen huist; hebben we de “Piratecaves” bezocht. Een miezerig holletje – een gat in een rots - , meer was het niet, dat de schoen van een piraat had kunnen herbergen, maar om die erin te proppen daar moest je wel eerst een diploma voor behaald hebben! Bespottelijk! Gelukkig was de snorkel in de namiddag dan wel weer fenomenaal, en waren we allen weer volledig onder de indruk van al die onderwaterwonderen. Al die tropische vissen; onbeschrijflijk; we hebben zelfs hele school vol met Dories gezien ( Je weet wel – Finding Nemo!). We waren allen vol liefde naar een zeeleeuw aan het kijken die met een zeester aan het spelen was, terwijl zijn vriendje een poging ondernam de camera van de Israëlische Blondie te stelen. Echte geniepigaards, die zeeleeuwen!

Nog een beetje nadromen op weg naar Isabela, het grootste eiland met 6 vulkanen waarvan er 5 actief zijn! Die avond hebben we ons op een paradijslijk strand geplaatst en met zijn allen naar de sterren gekeken. Perfect moment om een gesprek te houden over de zin van het leven. Heerlijk zoiets, naar de oneindigheid staren en enkel de pracht bewonderen, en ondertussen je gedachten de vrije loop laten gaan en het beste ideeëngoed delen. Echt heerlijk!

“Horsesnorkeling? Arent we going horsesnorkeling? I thought we were going... but wont the horses drown?” – zo zal ik mij Tom altijd herinneren. We gaan één keer niet snorkelen en het arm doetje was compleet verward. Paardrijden stond er op de planning - en nog wel naar de Sierra Negra Vulcano! De Chiva bracht ons tot aan de paarden – er stonden er wel 40! Ieder kreeg een paard toebedeelt, en er was wel degelijk over nagedacht. Mijn paard had net zoals mij krullen, en had er duidelijk zin in. De tocht naar boven was op een kalm en relaxed tempo; af en toe een drafje en verder rustig stappen. Ideaal, want ik wou geen enkel detail aan mij voorbij laten gaan. De Sierra Negra vulkaan was echt indrukwekkend en vooral immens – een 10km brede vlakte met zwart vulkanisch as. Het leek alsof er een atoombom op was beland en dat er niets over was gebleven buiten stilte en een gigantisch zwart gat. Dichtbij Volcan Chico stapten we af en begonnen onze hike. De ondergrond bestond uit uitsluitend vulkanisch gesteente en je kon je levendig inbeelden hoe de lava was gestroomd. De vormen die het had achtergelaten waren gewoon bewonderingswaardig. Een nieuwe vlakte, die haast reikte tot aan de kust, was bedekt met lichte niveauverschillen, opengebroken plateaus, en verschillende kleuren. De kleuren varieerden lichtjes, van zwart naar bruin, donkergrijs tot een donkerrood, een obscuur en mysterieus kleurenpallet zeg maar. Haast onmogelijk om je ogen eraf te houden.

De paardrit naar beneden was geweldig! Bijna de ganse weg (een tocht van 2.5uur) gegalloppeerd we. Mijn paard volle teugels gegeven, en mezelf maar voor mijn lieve leven vastgehouden. Wat een snelheid (en horsepower) zat er in dat beest! Voor ik het wist zat ik in een race met de 4 Israelische armyboys, die maar voor weinig terugdeinsden. Het paard van Tom had een overduidelijke voorkeur voor het achterwerk van mijn eigenzinnige knapperd. Maar die was enkel te vinden voor de alternatieve routes, en dat zorgde wel voor wat lachwekkende situaties! Jammer genoeg moesten we daarna een 20 minuten wachten tot de rest van de groep arriveerde. Dolgelukkig en helemaal in mijn element, vertrokken we terug naar het strand – om daar nog wat na te genieten.

De volgende dag bezochten we “Las Tintoreras”; waar je de rustplaats van de white tipped sharks kon zien. Hun manier van bewegen was zo elegant en vinnig dat het bijna hypnotiserend werd. Ze zijn dan ook uitgerust met natuurs beste snufjes; zoals geweten kunnen ze bloed van kilometers ver ruiken, en daarbij weten ze ook meteen of het hun natuurlijke prooi is of niet. Hun lijf is echt verbluffend in elkaar gestoken, zo is hun gehoor zodanig fijn ontwikkelt dat ze je hartslag kunnen horen. Tegenover hen zijn wij natuurlijk maar een lompe verzameling van botten en vet.
Die namiddag hadden we weer een snorkel op de planning, die gewoon altijd de moeite zijn. Het water was erg ondiep en in het water geraken met die zwemvliezen was een hele opgave, maar na een korte blik onder water ben je alle zorgen vergeten. Welja, zorgen...

Het Charles Darwin center; vol met reuze schildpadden en leguanen. Daar ontmoette we “Lonesome George”, het laastste reuzeschildpad van zijn soort. Dat het onmogelijk is zijn soort voort te planten, daar trekt hij zich allemaal niets van aan. Met een goed vaartje zat hij achter een vrouwtje aan; de gids kon amper zijn ogen geloven! Dan bezochten we Diego – de dekhengst der reuzeschildpadden. Die werd ontdekt in San Diego Zoo en overgebracht om zijn soort van “uitsterven” te redden; en hij is een ware held want zijn uithoudingsvermogen heeft de Galápagos voorzien van een 200tal nieuwe exemplaren. Diego zagen we dan ook op zijn best – in volle actie – hij had zich bovenop een vrouwtje geschraapt en willen of niet – nummer 201 was in de maak!

Een wandeling door een lavatunnel; dat stond op de planning in de namiddag. In mijn hoofd was ik er al stiekem te spot mee aan het drijven; wat ze allemaal niet verzinnen om te verkopen. Tot we er eindelijk aankwamen, het leek op een ijlenlange grot waarbij in vergelijking de grotten van Han een slechte grap zijn. In stilte rustig om me heen gekeken, wat echo’s gevormd en dan stiekem een gebedje geplaatst dat de muren niet zouden instorten en mij met hen zouden vereeuwigen. Ik wou mijn geluk immers niet testen! Ontspanning had ik nodig, en dat kon nergens beter dan in Tortuga Bay. Een eeuwigheid wandelen over wat leek op de Chinese Muur, kwamen we aan bij dit prachtig strand. Aan de slaperige leguanen en dobberende pelikanen te zien voelde iedereen zich daar wel vrij ontspannen. Wat gezwommen, en gekeken naar de Israelische actionshots (soort van “KungFu”moves) en er zat alweer een heerlijke dag op!

Ons Galápagos-avontuur was bijna afgelopen; onze voorlaatste dag die brachten we door bij de blue footed Boobies op North-Seymour. Het eiland van de versierkunsten. De mannelijke frigatevogels blazen hun rode nek volledig vol met lucht en schudden met hun vleugels; allemaal om indruk te maken op de vrouwtjes. De vrouwtjes landen dan naast het mannetje naar keuze; om aan de serieuze zaken te kunnen beginnen. Maar de echte hartenrovers zijn de mannelijke Boobies die dansen om de vrouwenharten voor hen te winnen. Ze heffen langzaam hun helderblauwe voetjes op, stappen eens in het rond en fluiten; énorm adorabel. Als het vrouwtje overtuigd is dan komt ze naast hem staan, en danst ze na verloop van tijd met hem mee. Verkocht ben ik voor de technieken van de blue footed boobies, pakke beter dan sommige flauwe openers waar ik het in mijn leven al mee heb moeten doen, die zijn zo schattig niet hoor!

Een laatste snorkel nabij een strand dat leek te komen uit een vakantiebrochure van de Carraïben, nog een kanotochtje in de haven van Santa Cruz en een bezoek aan “Los Gamelos” krater en dan was het tijd om vaarwel te zeggen tegen deze unieke eilanden! De pracht en praal valt niet in woorden te omschrijven, maar is zonder meer overduidelijk aanwezig op elk afzonderlijk eiland! Onnodig om te vermelden dat het een absolute aanrader is?

Besitos
Teresita

dinsdag 21 april 2009

Eso es la vida - en Canoa

Best spannend – mijn eerste weekend helemaal alleen op stap. Oké, laat ik nu niet overdrijven, mijn solo-journey beperkte zich tot de heen-en terugreis van Quito naar Canoa. Nietemin een ganse reis; België had ik in die tijd al 3 keer kunnen doorkruisen.

Mijn busrit naar Bahía de Caráquez was best interessant. De taxi zette mij af aan de busterminal van Reina del Camino, waar ik maar wat onwennig rond mijn eigen as stond te draaien. Wees maar overtuigd dat zoiets niet ontglipt aan het Ecuadoriaanse oog. Een kwartdraai verder en ik was al aan de praat met enkele mannen en iets later met een vrouw die zo vriendelijk was haar nummer te geven – in geval van nood. Mijn verrassingsoverlevingspakket – van de kleine en de gemakkelijke – overleefde mij bijna niet, met resultaat dat ik halverwege de busrit met redelijke haast de bus even afmoest. Alles afgehandeld in sneltempo, uit schrik dat de bus zonder mij zou vertrekken, heb ik een heel tijdje verward en slaperig de stoel aan de andere kant van het gangpad geobserveerd. Ik had kunnen zweren dat er een man had gezeten, zo•n exemplaar die zich ongegeneerd had uitgerekt op zijn stoel en de bus wakker had gehouden door walvisgeluiden na te bootsen in zijn slaap. Misschien had ik gewoon goed geluk en was hij de mensen achteraan de bus hun slaap gaan ontnemen? Tegen 6 uur s ochtends en met een aanzienlijk slaaptekort kroop ik als laatste uit de bus. Mijn observatietechnieken waren beter dan verwacht, want er was effectief nog een tas in de kofferruimte die nu zonder eigenaar was... Blijkbaar deelde de chauffeur dezelfde mening over de man zijn snurkcapaciteiten als ik – beter elders!

Een fietstaxi naar de aanlegplaats van Bahía de Caraquez, een boottocht naar San Vincente en dan de hobbelbrommer naar Canoa; mijn solotour mag niet onderschat worden. Daar aangekomen liep ik Jorge tegen het lijf, die duidelijk verrast was door mijn bezoek en besloot Luis in vol enthousiasme te gaan roepen. Die was net wakker en ongeveer even charmant als ikzelf in de ochtend; zo bromden we wat tegen elkaar en gingen ieder ons ding doen. Zelfs de zo gemiste comfortabelheid van het bed kon mij niet voor zich winnen; slapen zat er voor mij gewoon niet meer in. Luis en Jorge waren ondertussen aan het surfen; iets dat ik niet wou missen en – in alle geniepigheid – toch eens wou bekijken. Vroeg in de ochtend was er niets te horen buiten het geruis van de golven, heerlijk. Toch tot een van Luis zijn neven mij had gespot. Zo heb ik wel 5 exemplaren aan mijn been gehad. Wat het totaal ook mag wezen, het moet toch dicht tegen de 50 zijn. Ja, dat lijkt mij een vrij realistisch aantal.

De rest van de dag heb ik doorgebracht als een zwerver. In de slaapzaal van Bambú Hostal ontmoette ik Karin, een meisje uit Nederland die in Quito bij ons in huis woont. Leuk gezelschap, tot een bepaalde limiet. Mijn kostbare tijd heb ik grotendeels doorgebracht op het strand, bij wat dorpelingen waar ik al aardig mee bekend was. Weinig onderhoud vragen die jongens, daar hou ik wel van. Ze houden zichzelf bezig met voetbal, jongleren, surfen, of het versieren van een nieuw doelwit. Het laatste zorgde voor mij nog voor het meeste entertainment. Versieren zit nu eenmaal in hun bloed; een jongetje van 13 die op je afstapt en de eerste beste opener tevoorschijn tovert met een stralende glimlach is de normaalste zaak van de wereld. Liefkozende kusjes, massages, een schouderklopje en complimenten bij de vleet; het is allemaal dagelijkse kost. Zelfs ondanks hun onverstaanbaar taaltje zijn hun versiertechnieken haast feilloos; toegegeven: een opmerkelijke gave.

Bij de vrouwen zijn het dus echte charmeurs, maar onderling zijn het – zoals overal ter wereld – echte varkens. Hun mannelijkheid moet worden bevestigd door boeren, scheten en vooral vuile moppen. Zo krijgt elk meisje wel wat te verduren. Van Elenore, een medecompagnone uit Frankrijk, kreeg ik te horen dat een vriendin van haar op haar verjaardag haar portie ruimschoots had ontvangen. Ze had een verjaardagstaart gekocht om met iedereen te delen. Enkele jongens stelden dan ook de logische vraag of ze de taart wou snijden, en toen ze antwoorde dat ze dat wel wou doen had ze blijkbaar onbewust en ongewild beaamd dat ze met verschillende jongens het bed wou delen. Zo zie je maar dat aan hun uitzonderlijk “slang”-taaltje toch heel wat haken en ogen zit.

Het dorp blijkt vooral uit jongens te bestaan; vooral omdat de meisjes thuis worden gehouden. De mannen lummelen dagelijks het straat wat rond en voeden quasi elkaar op. Er geldt dan ook een soort algemene broederschap, waarbij zelfs het inpikken van elkaars meisje min of meer getolereerd wordt. Op het strand leren ze elkaar vanalle trukjes: gaande van jongleren met messen of bierflessen tot salto•s en flikflaks. Gooi er een leeuw en een olifant bij en je hebt een heus circus om van te genieten. Er zitten alleszins enkele echte artiesten in – Cirque de soleil weet waar recruteren! Heropvoeden zal een iets moeilijkere missie worden, maar ik vind hun losbandigheid net hun charme. Ze hebben allemaal hun eigen •crazy laugh• en een tattoo dat hun persoonlijkheid nog net iets meer afscherpt. De tattoos gaan van hele tekeningen, grote en kleine sterren, dieren, tot volzinnen zoals “surf es mi vida”. Surfen; hun enige echte passie waarbij hun tabla (surfbord) hun enige echte liefde vormt. Zo ben ik toch opgeleid om te geloven, maar compleet overtuigd ben ik niet.

Het weekend bestond vooral uit relaxen, en niets doen. Wat op het strand hangen met een vrolijke bende gekkigheid, lokale surfers hun beste moves zien uithalen, al snoezend op mijn strandlaken de zon zien ondergaan, prakken in een hangmat, probleemloos een spelletje Jatzy winnen tot grote frustratie van mijn tegenstander, een film zien die enkel dient tot het uitkuisen van de traankanalen (een man zijn vrouw verliest en zijn kinderen worden afgenomen,opgesplitst en opgesloten in de meest verschrikkelijke instituten - kan er meer drama zijn?), kijken terwijl de jongens de regels van pool compleet de wind in slaan en dan juichen wanneer ze op hun eigen manier “gewonnen” hebben, drankjes delen terwijl iedereen ongegeneerd danst op het eerste beste reggaenummer, Luis groen zien worden na het leven iets te fel gevierd te hebben,... Zo is het leven in Canoa – simpelweg uitzonderlijk. Wanneer mensen mij vragen of ik daar zou kunnen wonen, dan moet ik altijd even nadenken. Het leven is daar zo ongelooflijk makkelijk, dat ik vrees dat ik als westerling al gauw onrustig zou worden. Terwijl ze daar materialistisch gezien amper iets lijken te hebben, lijken ze aan de complexiteit van onze maatschappij te zijn ontsnapt. Terwijl wij in België vol trots verkondigen dat wij een der beste ter wereld zijn qua sociale zekerheid, hebben zij een familie die zo groot kan zijn als een gans ziekenhuis. Zij genieten van de simpele dingen in het leven, wat vaak – in onze dagelijkse haast - aan ons voorbij gaat. Dus terwijl zij vol trotsheid 5 Engelse woorden naar je kop slingeren, blijven wij – als geëduceerde mens - ons leven lang onze nikkel afdraaien voor wat? Gezondheidszorg?!

dinsdag 14 april 2009

The heat situation

Onze busrit naar het Benidorm van Ecuador was – zoals te verwachten – een avontuur op zich. De passagiers gebruikten de bus naar Salinas als een heuse verhuiswagen; zo hebben Roos, Valerie en ik alles zien passeren van honden, konijnen, soort krabpalen, gigantische zakken kledij/ graan tot tafels. De 10uur rijden met weinig slaap was best vermoeiend. We waren dan ook erg blij toen de man eindelijk “Salinas!” riep, en we trokken gauw onze schoenen aan en sprongen de bus uit. We rekten ons uit, en liepen met onze reisgidsen een stukje verder. Ik stak het op mijn vermoeidheid dat het er allemaal anders uitzag dan ik mij had voorgesteld. De vrouw van het tankstation kwam met de verklaring: we waren helemaal niet in Salinas, maar in La Libertad – een dorpje te vroeg. We zouden de bus moeten nemen om daar te geraken, absurd, want we waren net van onze bus gestapt. We staken het straat over, en wonder boven wonder kwam onze bus er net aanrijden. (Lang leve Ecuadoriaanse timing!) Het voordeel aan het status “gringa” is dat je zoals een BV nogal snel herkend wordt, en de bus stopte. De ticketcontroleur stak zijn hoofd uit de deur en vroeg al grijnzend: “Otra vez?” (nog een keer?) Roos, de onschuld zelve, antwoordde uiterst adorabel: “No está Salinas!” (Dit is niet Salinas). De man schudde al lachend zijn hoofd en wuifde dat we maar gauw moesten opstappen.

De aankomst in het echte Salinas zorgde haast voor een onmiddellijke zonneklop. “Abril, lluvia mil”; de aprilse grillen van Ecuador, maar van al die zogezegde regen merkten we niet veel; een 32°C zonder schaduw. Bakken, braden en ja toch ook wel grillen; van ‘saignant’ naar ‘à point’ in ongeveer 3 minuten. In deze hitte gingen we op zoek naar een hostal, en dat bleek een levenswerk. De hotels gingen van Neckermanns bestsellers naar bouwvallige wrakken. De hostal “Las Olas” , met een onbeschrijflijke “sprankelende receptie”, was het toppunt van alles. De kuisvrouw leidde ons rond het complex van kamer naar kamer, en fluisterde ons steeds toe dat we een andere kamer moesten kiezen vanwege of de geur, lawaai, of... Het was zo gek nog niet, of je vond het daar. Uiteindelijk zijn we teruggekeerd naar ons voorgaand hostelletje, dat iets duurder was maar tenminste beschikte over normaal functionerend personeel.

Salinas mocht dan al niet veel voorstellen in mijn mening, de matrozen mochten er toch wel wezen! Misschien vandaar dat we het militaire strand F.A.E. (waar de surfcompetitie zich bevond) zonder al te veel problemen vonden. Van de surfwedstrijd begrepen we niet al te veel – het had gewoon geen (Europese) logica denk ik. De surfers waren dan ook al iets minder knap dan we gewoon waren – en daarenboven allemaal onder 18jaar (en zonder oudere broers – waarom doet een mens zoiets?)! Gelukkig konden we ons troosten met gratis fruit, en de donatie van een panamahoed. Maar mijn echte troost kwam later - wanneer de eerste echte knappe man die dag passeerde – lang, mooi gebruind, surferbody, krullen – en verdacht veel lijkend op .. Gabriel !

Jawel, de vrienden van Canoa waren afgekomen! Mijn gsm was ongeveer 20minuten buiten Quito uit netwerk gevallen, en ik had niemand kunnen bereiken sindsdien. Tussen al die drukte was het dus echt een dikke meevaller om hem tegen het lijf te lopen. Hij wees me waar ik de rest van de groep kon vinden; en iets later stonden Roos en ik tussen alle andere mannen en familieleden die ons gretig insmeerden met zonnecrème en ons voeden met kokosnoot. Er werd goed voor ons gezorgd, dat stond vast. Desondanks zat Valerie iets verder op onze spullen te passen – en die gingen we wat gezelschap houden. Jammer genoeg zijn we de mannen daarna compleet uit het oog verloren. De avond vulde we met het eten van pizza (bij een zeer gedienstige ober, die elk stuk in je mond zag verdwijnen zodat hij zeker op tijd was om een nieuw stuk op het bord te leggen) en een kort bezoekje aan een surffeestje dat blijkbaar enkel bestemd was voor de jonkies onder 18.

De volgende ochtend hielden we ons bezig met het bestellen van bustickets, ontbijt, en het verlaten van onze kamer. Toen we op het strand van de F.A.E. kwamen, waren we te laat en werd iedereen verplicht het strand te verlaten want de show was afgelopen! Inderdaad, we hadden de finale gemist. Iets te typisch, dus gingen we maar op een ander strand niks doen – en ijsjes eten. Na goed wat relaxtime in zon en zee, was het tijd om te vertrekken.

Wegens het moeten doorwerken op feestdagen in Semana Santa (heilige week), kon ik nu extra tijd doorbrengen aan de kust. Daarom trokken Roos en ikzelf verder door naar Montañita, bekendstaand als HET surferparadijs in Ecuador. Valerie daarentegen moest terugkeren naar Quito. Jammer, want de busrit naar Montañita was enorm entertainend. We werden vriendelijk op de bus geholpen en wanneer de bus gevuld zat (een half uur later dan gepland) vertrok ze naar haar bestemming. Roos en ik vormden al gauw een nooit-eerder-geziene-attractie, en werden door iedereen aangesproken en ondervraagd. Een blik alleen al was aanstalten voor een ganse gidsbeurt; een man presteerde een ganse uiteenzetting bij ELK dorp dat we passeerden. Terwijl hij ons vertelde dat het ene dorpje bekend stond voor zijn tonijn in tegenstelling tot het vorige dat meer gekend was voor zijn zoute scampi’s, draaiden alle gezichten zich om en bleven ons onbeschaamd aangapen. De mannen achter ons tikten op onze schouders zonder ophouden – en ons kruisverhoor leek eindeloos. Wanneer we eindelijk dachten alle vragen gehad te hebben, begonnen ze - tot onze ontzetting - gewoon van begin af aan. Overduidelijk waren ze erg behulpzaam en zijn we probleemloos in Montañita terecht gekomen.

Een man uit Barcelona had de ganse commotie in de bus gevolgd, en kwam de gringa’s vragen waar we gingen verblijven die nacht. Iets waar wij natuurlijk geen idee van hadden. Met mijn Lonely Planet en zijn onderhandelingstalenten vonden we een hostal voor $7/nacht met ontbijt. Maar we zouden geen echte vrouwen zijn als we niet vonden dat de plaats er niet leuk genoeg uitzag, en keerden geniepig terug naar het Tsunami-hostal (met de arrogante eigenaar) dat er bedrieglijk comfortabel bijstond. Voor $8/nacht zonder ontbijt kregen we een kamertje. Tevreden gingen we maar meteen een stapje in Montañita zetten, en via een telefooncel met een $3dollarkaart (lang leve de methodes van de oude garde) kon ik naar Luis bellen, een van mijn vrienden vanuit Canoa. Hij kwam ons meteen zoeken en we hadden ineens gezelschap voor de rest van de avond. Het gezelschap was niet altijd van niveau, maar dat heb je wel eens meer als je optrekt met een bende mannen. Ze kennen mij hier immers allemaal als Teresa (wegens problemen met de naam Tessa); en nu blijkt dat die naam rijmt op heel wat vulgaire woorden en dat er dus een lied over bestaat. Dus, dat laat mij met “Madre Teresa” of de vuile hoerennaam, wel liefste mammie, ik weet niet hoe ik je daarvoor moet bedanken.

Het dialect aan de kust is een beetje te vergelijken met Hollands en Belgisch, waarin Hollanders (vgl. met Quito) gebruik maken van de correcte woorden en taalgebruik en de Belgen (vgl. met de kust) eerder onverstaanbare dialecten spreken. Wanneer ik Luis & Gabriel hoor spreken, moet ik altijd een beetje denken aan een West-Vlaming: de hete patat in de mond en de noodzaak niet zien tot het gebruiken van medeklinkers of einde van woorden. Eens mijn liefste vrienden doorhadden dat ze een tikkeltje trager moesten spreken, gebruik dienden te maken van woorden en de wijn een tijdje rijkelijk was gevloeid, was de conversatie uiterst amusant. Wanneer mijn Quiteños-Spaans hun voor de zoveelste keer dubbel kreeg, begon ik gewoon Flamenco (Vlaams) te spreken, wat leidde tot een gans gesprek over België, haar taal, ligging en specialiteiten zoals bier en chocolade. Vooral het bier werd een passioneel onderwerp, mits Gabriel overtuigd was dat de beste bieren van Holland kwamen. Onze valse noorderburen die gaan lopen met onze eer, niks van, die heb ik snel hersteld en zelfs enkele bieren aan ons toegeschreven die niet bij ons behoren. Wie weet nu ook dat Corona Mexicaans is?!

Toen we arriveerden op ons kamertje, ontdekten we dat er stof van de ventilator op ons bed was gevallen, de badkamer krioelde van de rode mieren, de vervallen douche op elektriciteit liep en Roos was niet zeker maar dacht dat ze iets onder het bed zag wegspringen. We zijn dan maar dicht bij elkaar gekropen – ver weg van alle spleten en barsten in de muur. Dankzij ons slaapmutsje hadden we een goede nachtrust en we waren snel de kamer uit om “Montañita by day” te verkennen. In reisgidsen wordt het beschreven als “Montañita which for many years was simply a locally surf spot, has blossomed into the largest surf resort in the country and one of Ecuador’s largest backpacker hangouts” “From the baggy shorts to the friendly, sleepy demeanor, surfer-dude culture is universal. .. The accompanying Rasta vibe and laid-back ethos means the end of the road for some.” Beide zijn vrij correcte beschrijvingen, mits je er niets anders terugvindt dan hostals, bars, gringo’s, rasta-dudes en hippies. De meeste mensen zijn gedurende dag en nacht stoned of dronken, en dat maakt Montañita zonder twijfel DE feestbestemming!

Voor mij betekende Montañita niet ‘the end of the road’; want mijn volgende bestemming werd Canoa. Luis vertrok die namiddag met zijn familie naar Canoa,en ik was welkom om hen te vergezellen. Roos besloot op het laatste moment om haar schoolwerk nog een dagje uit te stellen en met ons mee te gaan naar het échte surfersparadise!

“ Surf addicts, artisan fishermen and increasing numbers of sun-seekers all share this gorgeous, fat strip of beach.” (Canoa volgens de Lonely Planet)

De auto werd een ganse opeenstapeling van mensen: in de kofferbak zat Luis zijn gestoorde neef (die achter elke zin een gek lachetje laat klinken – cómo un animal) en Aimée (4jaar), op de achterbank zaten Luis, Roos en ik. De auto werd bestuurd door Nicole, en naast haar zat Jorge met kleine Jonathan van 11 maanden op zijn schoot. Gezellige, opgepropte boel. Gelukkig was de rit niet zo ver, want de eerste stop was Las Tunas, een verlaten strandje op weg naar Canoa. Daar lieten Roos en ik ons overspoelen door de golven, terwijl de mannen die met ‘t grootste gemak overwonnen met hun surfplank. Allemaal wat zelfvoldaan op ons eigen manier kropen we terug knus dicht bij elkaar in de auto. De muziek was zalig, en aandacht had ik ook niet tekort, met Luis zijn arm om me heen en kusjes op mijn schouder van zijn gekke neef. Het werd nog een lange rit waarin we verkeerd reden (omdat de mannen het niet wouden bekennen!) en we nog een boot en taxi moesten nemen. Tegen half11 ‘s avonds kwamen we aan in Canoa. De ober van Hostal Bambú maakte ons nog gauw wat lookbrood, en fruitsla – en na een overheerlijke douche kwam Luis ons halen voor een lokaal feestje in de Aloha-bar.

Dit feestje dat we kwamen ‘crashen’ bleek het verjaardagsfeestje te zijn van een of andere Kathy. Het duurde enige seconden voor we aan de praat geraakten met een aantal mannen van onze leeftijd, en iet langer voor we op de dansvloer stonden. Er werd luid geklapt, gedanst en vette sfeer gemaakt. Het Afrikaans stamgevoel kwam pas echt tot zijn recht toen alle meisjes in het midden van de kring werden geduwd en de mannen “Whoehoewhoe”-geluiden begonnen te maken en nog luider begonnen te klappen. Een beetje bizar, maar eigenlijk uiterst plezant. Het echte feestnummer blijkt “Over the rainbow” van Bob Sinclair te zijn, waarbij er oorverdovend meegekeeld wordt en druk in het rond gesprongen wordt. Volledig erin opgaand zie ik Roos uit de kring hinken met een gepijnigd gezicht; bleek dat “El Gordo” op haar voet was gesprongen. Een man die met gemak tegen de 200kg aanhikt. Tja, een van de voordelen van Canoa is dat er een grote verscheidenheid is aan mannen: ‘voor ieder wat wils’ zou je zelfs kunnen zeggen. Iets wat die avond net in het nadeel van Roos (en haar blauwe voet) bleek te spreken. Toen het feestje wat op zijn einde liep; werd er buiten met de trommel een formidabel ritme gespeeld. Hierop begonnen de lokale jongens Capoeira te dansen; fenomenaal om te zien ook al was het misschien amateursniveau. Vervolgens trok iedereen naar het strand – om te zingen, dansen, zwemmen,… De maan was bijna vol, en het zag eruit als een romantische filmset. Een moment om nooit te vergeten…

De volgende dag gingen we naar “La isla de los monos”, samen met Daniel (Danny, mijn surfleraar van mijn vorig bezoek), Marco (Viva Ecuador-guy) en zijn vriendin Amélie uit Parijs, en Luis. Vanaf Daniel zijn hostal, La Posada de Daniel, vertrokken we met zijn wankel autootje zonder remmen voor een wild ritje van een kwartiertje. We reden door een landschap dat heel wat aandoet van Afrika met haar baobabbomen. Echt om je ogen uit te kijken, maar het imposantste was toch het strandje waar we arriveerden. Het maagdelijk strandje had van beige naar zwart gekleurd zand, het water liep over van turkoois naar diepblauw, en in het begin van de zee lag er een verloren stuk boomstronk waarvan enkele gracieuze takken het water indoopten.

We liepen allemaal op automatische piloot direct het water in – waar de golven iets steviger waren dan verwacht. Luis riep mij toe om onder de golf de duiken, waarbij ik zijn raad weglachte en één seconde later volledig ondersteboven gezwiept en meegesleept werd tot aan het strand door de kracht van de golf. Liefelijk bezorgd en ook een beetje boos kwam hij checken of ik het wat goed stelde. Ik antwoordde dat er geen enkel probleem was terwijl ik elegant nog al het water uit mijn longen aan het hoesten was. Wel, dat zal mij leren om niet te luisteren naar iemand die zijn ganse leven met niets anders bezig is dan golven. Nog half bestaande uit zeewater ben ik maar op die boomstronk geklommen; genieten van golven op een afstand – meer iets voor mij!

De rest van de middag hebben we gevuld met een Spa-moment (insmeren met zwart zand), snorkelen, gezellig keuvelen, en eten van choclos (maïs). Oh, en vooral onze tocht door de jungle mag ik niet te vergeten. Daniel sloeg op de terugweg plots een overwoekert weggetje in, naar een oerwoudgebiedje waar apen moesten wonen. Ondanks ons goed nagebootste aapgejoel wouden ze maar niet komen. Wel geraakten we nog eens vast met de auto, wat ook zorgde voor wat vermaak. Een heerlijk ontspannend dagje, en een van de beste in mijn leven tot nu toe!

Helaas moest Roos die avond terug naar Quito en gelukkig bleef ik achter voor nog 2 dagen in Canoa. Ondertussen had ik al veel vrienden gemaakt en beloofde het nog een fijne tijd te worden. Beide dagen bracht ik door op het strand en geraakte ik aan de praat met Maria-Clara, een meisje van Zwitserland. Samen met haar ben ik gaan poolen, dansen en bedolven geweest door aandacht. Jorge, neef van Luis, wou ons salsa-lessen geven, en net toen hij mij rechttrok voor een portie afzien begonnen ze het liedje van “Feliz Cumpleaños” te spelen. Hij heeft mij – aan mijn hand – op een zeer overtuigende manier door het hele pand getrokken en de rest van de avond heb ik mogen beantwoorden hoe oud ik wel niet was geworden. Hilariteit ten top!

In mijn klein weekje kust heb ik enorm veel plezier gehad, maar vooral enorm fijne mensen ontmoet. De mannen zijn daar geboren charmant, maar ook ontzettend aardig. Princessa Tania is een van de lokale chicas die ik heb leren kennen, en echt schatje! Iedereen noemt mij daar Teresita, en ik voel me er thuis – ver weg van thuis. Canoa is dus een plaats die ik altijd in mijn hart zal dragen – omwille van verschillende mensen, herinneringen en iets dat ik daar geleerd heb:

“¡ Todo es posible, nada está seguro! “ (Alles is mogelijk, niets is zeker)

PS: ontdekking van de week: volgens de Lonely Planet is Danny een “former junior surf champ”! ¡Qué sorpresa! Wel, ik ben alleszins “opgeleid” door een pro!

woensdag 1 april 2009

¡ Sí se puede !

De Spaanse school van Yanapuma dat gelegen is in een koloniaal huis ( van de ex-vrouw van een of ander bekende artiest waarvan ik de naam niet kan onthouden), is tegenwoordig één verdieping hoger te vinden. Mits de verhuis vrijdag plaatsvond staken Katrien en ik graag een handje toe. Een hele hoop spullen werden heen en weer gesleurd, en dat zorgde voor een gezellige drukte. Een drukte die de rest van de avond zou blijven sudderen. Iets later kwamen Evelyne, Dieter en Saf op bezoek en arriveerden de ouders & broers van Katrien, wat in het geheel zorgde voor een blij weerzien. Met Lisa, Roos, Katrien, Valerie en ikzelf erbij was het al gauw full house.

Om 21u was er afgesproken aan Papayanet, dé verzamelplaats voor alle feestneuzen. Door alle vrolijke drukte hadden we onze afspraak gemist, maar als echte kenners gingen we ons instinct achterna en belandden we één straat verder in Huaina, een bar met spotgoedkope (en toch sterke) cocktails. Heel wat bekende gezichten keken ons verheugd aan. Zelfs Andy en Pablo, onze twee bazen, waren aanwezig. Ongeveer een tien minuutjes later kwam Vinicio binnendruipen met nog een aantal studenten. Dat beloofde een leuke avond te worden!

Na wat goedkope moed te hebben ingedronken, stak iedereen zijn beste beentje voor op de dansvloer. Er werd veel afgelachen, en onze liefde voor Pablo werd enkel groter na het observeren van zijn originele dansmoves. Maar na een tweetal uurtjes besloot ons bescheiden groepje, dat bestond uit Lisa, Roos, Valerie, Katrien en ik, terug naar huis te keren. De volgende dag moesten we immers vroeg uit de veren. De ouders van Katrien verwachten haar al om kwart voor 8 bij hun hostal, en de rest van ons zou rond diezelfde tijd vertrekken naar een vulkaan ten Noorden van Quito.

Alweer een vulkaan; ik weet het, ik lijk wel zelfmoordzuchtig. Onbegrijpelijk, ik ben hier nochtans heel gelukkig. Een groepje van 7 ging zich eraan wagen. Erika (U.S) had nog katerverschijnselen na de overload aan cocktails vorige nacht, Lavigne (NL) had wat last van de Quito-lucht die gelijk zou staan aan “30 sigaretten per dag”, Vinicio verkeerde in mol-modus mits hij om een of andere onverklaarbare reden zijn bril thuis was vergeten, Steven (U.S.) slaapwandelde nog half en Roos, Lisa en ikzelf hadden maar een bang hartje voor wat er komen ging. Een gemotiveerde groep van 7 zeg maar. Iets voorbij Mitad del Mundo stopte onze bus en stapten we allemaal gehoorzaam uit na Vincio zijn welgekend order “¡Vamos por favor!”.

Pulupahua; de vulkaankrater waarin we gingen afdalen, zou de grootste in Zuid-Amerika zijn en is uniek dankzij haar ligging op de evenaar. Haar laatste eruptie gebeurde ongeveer 2400 jaar geleden,en is ondertussen terug bewoond. Binnenin heerst er een uitzonderlijk microklimaat waardoor er, op deze 3km, hard aan landbouw gewerkt kan worden. De inwoners zijn erg gesteld op hun leven binnenin de krater, en kunnen dankzij hun speciale ligging ecologisch te werk gaan door het gebruik van bio-energie. De inheemse bevolking is dan ook overtuigd van de kracht en energie dat Patcha Mama (moeder aarde) aan dit gebied heeft meegegeven. Wij, als gringo’s, waren vooral onder de indruk van de lappen landbouwgrond die in verschillende kleuren en vormen ingesloten lagen tussen de kraterwanden van de Pulupahua.

Ondanks haar natuurlijke schoonheid, zag het modderpadje naar beneden er niet bepaald aantrekkelijk uit. Het was dan ook niet verwonderlijk dat Vinicio al na de tweede bocht onderuit schoof. Zijn trouwe vriend de bril had vast wel wat kunnen helpen, zo i.v.m. dieptezicht en al die handige dingen die ogen kunnen verlenen. Ik besloot dan ook maar laatst te lopen; zo kon ik extra genieten van het domino-effect wanneer mijn voeten zouden beslissen mij niet meer te ondersteunen. Gelukkig moest niemand zich daar druk om maken, en wandelde we al gauw beneden tussen de zwerfhonden en het geheel aan boerderijdieren.

Die namiddag deden we niet al te veel, beetje wandelen – kijken – eten, en rusten wat uit, want we gingen nog een zware klim tegemoet. Ik hoef vast ook niet te vermelden hoezeer ik mezelf vervloekt heb op weg naar boven. Twee weken na een helse wandeling op een vulkaan, stond ik alweer te zweten en te puffen tussen al dat vulkanisch uitwerpsel. Na een uur gemompel en gekreun stond ik tot mijn eigen verbazing alweer boven. Prettig was de tocht uiteraard niet geweest, maar ik was wél content dat ik deze keer niet nog 4à5 uur kruipwerk voor de boeg had.

Ondertussen had Quito alweer heel wat last gehad van aanhoudende regen. De rotsen waren nogmaals van de bergwanden afgebrokkeld, en hier en daar kon je (letterlijk) een waterval bewonderen. Het duurde ons daardoor ook extra lang om thuis te geraken. Na een overheerlijke maaltijd in The Maple (het vegetarisch restaurant van Quito), kreeg mijn crew me nog overtuigd om een avondje te gaan stappen. Huaina, ons stamcafé, kon ons alweer een avondje entertainen. De sfeer was een beetje platjes bij het binnenkomen, maar na zelf - met een caiperiña in de hand – een beetje gek te doen op de dansvloer stond die al snel vol met ander dansend volk. We ontmoeten al gauw nieuwe mensen; een dude uit Engeland die bij de Hare Krishna beweging zit; Joseph de hiphopper en mijn persoonlijke favoriet Manuel. Na wat tijd doorgebracht te hebben op de dansvloer met salsamuziek, en al verscheidene mannen weggestuurd te hebben, kon ik het niet meer aan en besloot ik terug aan tafel te gaan zitten.

Mijn kont geparkeerd op die stoel, was ik samen met Valerie naar alle in-het-rond-tollende dames aan het kijken. Het zag er allemaal zo professioneel uit. Stiekem was ik wel wat lastig op mezelf; ik nam immers salsalessen en nu was de ideale tijd om te oefenen. Daarenboven was ik het beu om tegen mannen te zeggen dat ik niet “wou” dansen; waarbij ik dan altijd het gevoel heb dat ik hen beledig terwijl ik eigenlijk – in alle eerlijkheid – gewoon te verlegen ben. Mijn mentale marteling stopte toen mijn in het niets starende blik onderbroken werd door het hand van een man; alweer een dansaanvraag. Mijn hart zuchtte en ik keek op om hem vriendelijk te bedanken, maar toen ik mijn ogen opsloeg en zijn vriendelijk gezicht zag had ik haast automatisch mijn hand in zijn hand had gelegd. Voor ik het goed besefte had hij mij met een hartelijke glimlach recht getrokken. De “dans” was een catastrofe (en dat mag je best letterlijk nemen), mits hij met tonnen ritme heen en weer bewoog, terwijl ik met enige zelfspot een poging tot eenzelfde beweging deed. Gelukkig hebben we tijdens mijn persoonlijke tragedie nog een vrij kwalitatieve conversatie kunnen houden.

Na twee liedjes had hij de hulpeloosheid van de situatie door en bedankte mij voor de dans. Ik was content dat ik het toch geprobeerd had. Ik zat welgeteld 10 seconden, en hij stond alweer voor mij met zijn pretoogjes en een vrolijke uitdrukking op zijn snoet. Ik verklaarde hem openlijk gek, hij lachte begrijpend en zei dat hij het opnieuw wou wagen omdat hij mij graag mocht (een compliment dat altijd gewaardeerd wordt). Toen hij op een gegeven moment een opmerking maakte, moet ik eerlijk bekennen dat ik enkel het werkwoord had verstaan. Doordat mijn gezicht boekdelen spreekt had hij onmiddellijk door dat ik er geen snars van begreep. Hij trok zelf een bedenkelijk gezicht en fluisterde in mijn oor “My English is no good..” met een feilloos illegaal accent. Ik glimlachte breed om zo mijn lach te onderdrukken; dat was het minste wat ik kon doen mits na zijn eindeloze pogingen bij mijn “salsa”. Ik geloof dat hij mijn inspanning apprecieerde en boog zich nogmaals voorover en zei “ Is nice … Is nice”. Ik weet nog steeds niet of het als een mop bedoelt was, maar ik lag dubbel van het lachen. Hilarisch! De conversatie werd daarna alleen nog maar leuker (en komischer)! Verder had hij nog complimentjes in petto over mijn Spaans,het feit dat ik snel bijleerde en dat ik over ’n maand een echte salsadanseres zou zijn. Ik vind het allemaal zo schattig, dat alle mannen zo behulpzaam, hoopvol en naïef zijn hier. Over het algemeen enorm positief ingesteld, en ze zien overal het beste in. Een boontje heb ik wel voor de Ecuadoriaanse mentaliteit onder de mannen, en vooral voor hun hartveroverende oneliners!

Na zijn vertrek was ik in een ongelooflijk vrolijke stemming. Ik had mij al compleet belachelijk gemaakt, en het kon mij niet meer schelen of mensen nu wel of niet keken. Dan kwam er een jongen op mij af om te vragen of ik van België was, en toen ik hem confirmeerde dat het klopte, draaide hij zich met een glimlach om. Bleken dat achteraf gasten te zijn waar we enkele weken geleden de boel mee bont hadden gemaakt. Ondertussen had Roos vrienden gemaakt met de Hare Krishna dude die een extra komische noot meebracht, en Lisa had een initiatie tot hiphop via Joseph. Chevere (Ecuadoriaanse slang voor “tof, cool”!) die gast, hij had de moonwalk en andere hiphopmoves perfect onder de knie. Maar, voor alle Belgen, hebben we het feestje beëindigt met een knaller, en dat kan natuurlijk met niets beter dan een Polonaise! Nadat we de hele tent mee hadden gekregen in ons treintje, zongen we met zijn allen nog het “Hallelujah”-lied van de Krishna-dude… Redelijk marginaal op dat uur!

Het feestje stopte om half4 en een tweetal minuten later waren we thuis. We kropen allemaal ons bed in en na een zestal uren slaap was ik alweer wakker. De zenuwen beslopen me al een beetje, want om 13u moesten we klaarstaan op het school. We gingen aan het stadium proberen om ticketjes voor de match Ecuador – Brazilië te bemachtigen. Als echt voetballiefhebber was ik deze keer niet bepaald gesteld op de mañana mañana houding. Mijn transformatie in Stressa was dan ook onvermijdelijk. Ik wou ons 5’n (Dieter, Saf, Evelyne, Valerie en ikzelf) absoluut ten laatste om 12u50 zien vertrekken, wat’n hele opgave beloofde te worden zonder Katrien. (Katrien helpt immers altijd om te zorgen dat we op tijd vertrekken). Uiteindelijk vertrokken we 5minuten te laat, en kwamen aan bij Yanapuma in semilooppas. Broodnodig bleek achteraf, want de groep ging net vertrekken. De busrit op de Ecovia was evenzeer zenuwslopend, mits er geduwd en gewrongen werd in pogingen tot jatten. Aangekomen aan het stadium was er een uitgesproken drukte, overal liepen verkopers met T-shirts, verfpalletjes en gelukkig ook tickets. Vinicio duidde een verzamelplaats aan en vertrok op zoektocht naar een schappelijke prijs. Iets later kwam hij af met een handvol ticketen die had op de kop had getikt voor $30.

Nu zat de voetbalstemming er pas echt in. Een deel van ons had de $4 voetbalshirt aan en ons gezicht was beschildert in de kleuren van Ecuador. Om de vijf meter vonden we iemand die regenponcho’s verkocht, iets waar we onderling een beetje over aan het gniffelen waren. Ze herhalen immers hetzelfde woord op zeurderige, scherpe toon, en dat is gewoon iets heel typisch voor hier. Na enkele controles wandelden we het stadium binnen, dat volledig gevuld was met gele T-shirts. Mijn glimlach werd al gauw af mijn gezicht weggeveegd wanneer we door een ferme stortbui overspoeld werden. Ik slaagde erin om half te schuilen onder iemand zijn paraplu, en terwijl de dikke druppels van ’n andere paraplu over mij heen te krijgen. De bui was gelukkig maar van korte duur. Toch al druipnat vonden we ons een plaatsje vooraan. Dat het in een grote plas was, maakte mij niks uit, want het zicht was fenomenaal! Twee uurtjes moesten we wachten voor de kick-off. We maakten allemaal een pronostiek, en wachten vol ongeduld op het Braziliaanse team. Deze vlogen over vanuit Guayaquil, en zouden recht daarna op het veld komen om op te warmen. Zo zouden ze het minste last hebben van de hoogte (wel, dat heb ik mij tenminste laten wijsmaken)! Toen Ronaldiño op het veld kwam, kreek ik onmiddellijk een speedcursus scheldwoorden. Wat ’n haat! We hebben het ons dan ook niet gewaagd als enige te juichen bij zijn opkomst.

De sfeer was enorm moeilijk te beschrijven, want zodra we de teksten tot de liedjes door hadden ging ik er zelf volledig in op! “¡Vamos ecuadorianos, esta tarde, tenemos que ganar!” of de korte, krachtige versie: “¡Sí se puede!”. Het geheel was ‘n fantastische ervaring, en de wedstrijd geweldig. De Ecuadorianen hadden zonder twijfel balcontrole, en dat zorgde voor enorm veel kansen. Toen ik eindelijk dat Braziliaanse net zag bewegen na een shot op het doel, gilden en sprongen we in het rond. Jammer genoeg had ons zicht ons bedrogen, en was het zijnet geraakt geweest … Tegenvaller! Maar dat hield ons niet tegen om nog extra luid te roepen en brullen. Wanneer Ronaldiño de hoekschop nam werd het getier en gejoel luider en luider, en je voelde de agressiviteit duidelijk stijgen. Het werd dan ook muisstil toen we het net van de Ecuadorianen zagen bewegen, en toen we de Brazilianen elkaar zagen omhelzen wisten we het zonder meer: ze hadden gescoord. Ondertussen brak er een gevecht uit iets verder en draaiden iedereen zich om want het ging er hevig aan toe. Vuisten vlogen heen en weer en er werden rake klappen uitgedeeld.

Deze overvloed aan testosteron was niet aan mij besteed en ik merkte dat de Ecuadoriaanse ploeg plots enorm goed bezig was. Ze passeerden vlotjes de verdediging van Brazilië, en ik voelde het enthousiasme echt in mij opborrelen; en voor ik er zelf controle over had begon ik luider en luider “¡ Vamos !” te roepen. De andere hoofdjes van onze groep draaiden zich om om net op tijd de goal te zien. Jaaaaaaawel ¡ ¡ GOOL !! Heel het stadium ging uit zijn dak, en zelf veranderde ik in de Hulk (en dat zonder Golden Power Katrien!) en begon de longen uit mijn lijf te gillen… Heerlijk! 1-1; en daar is het dan ook bij gebleven. We vertrokken met een tevreden gevoel naar huis; we waren niet geheel ten schaamte gezet door Brazilië en we hebben nog steeds ’n kans om te kwalificeren voor de wereldbeker! ¡Sí se puede!

Ondertussen zijn we een uur verder verwijderd van België, met een uurverschil van 7uur. Maar hier in onze kamer is het een beetje thuis; de ouders van Katrien hebben héél wat Belgisch zoets meegenomen (Yipie!). En nu dat ik weer wat voorzien ben van Golden Power en dinokoeken, ben ik beslist in de zevende hemel terecht gekomen…

Volgende week vertrekken Valerie, Roos en ik naar Salinas;om te kijken naar The Quiksilver ISA World Junior Surfing Championship! Volgens amigo’s van Canoa: “High recomanded”, ik weet het jullie te melden…

Besitos xxx
Teresa